Alan Stivell – A Olympia

Zo’n veertig jaar geleden zuchtte de muziekwereld onder het bewind van de folkrock. Met het album Liege & lief (1969) zette Fairport Convention een trend in gang. Oude, overgeleverde melodieën en teksten werden bewerkt met een toen progressieve aanpak: de stekker er in! Gevolg: elektrische gitaar, drums, bas, en soms keyboards werden toegevoegd aan een akoestische instrumentbezetting, of vulden een instrumentarium met volkse instrumenten aan. Snel volgden groepen als Steeleye Span, Albion Country band, Hedgehog pie en Jack the Lad, om er maar een paar te noemen. Het virus verspreidde zich over geheel Europa, waar jonge muzikanten zich gingen verdiepen in de traditionele muziek van hun land, streek of etnische achtergrond. De folkrevival was een feit. In Noorwegen ontstond Folque. Folk och rakare was het Zweedse broertje. In Duitsland had Lilienthal groot succes. In Nederland zette Fungus de volksmuziek weer op de kaart. In België volgde wat later Kadril. Als we Frankrijk en folkrock noemen, denken we gelijk aan Malicorne, de groep rond Marie en Gabriel Yacoub. Maar daar begon het niet mee in Frankrijk…

 

In 1972 heeft Alan Stivell al enige naam opgebouwd in het folkwereldje. In de jaren vijftig krijgt hij van zijn vader Jord Cochevelou een eigengebouwde Keltische harp en volgt lessen bij Denise Megevand. Eind jaren vijftig neemt hij een aantal nummers op die aanvankelijk op EP verschijnen (later uitgebracht als Telenn Geltiek). Hij speelt in bagads doedelzak en bombarde, studeert Engels en wordt beïnvloed door de heropleving van de folkmuziek in met name Engeland en de Keltische landen. Zijn eerdere elpees Reflet (1971) en Renaissance de la harpe celtique (1972) bevatten een enkel Bretons werk, maar zijn toch sterk  Angelsaksisch en Keltisch gericht. Stivell raakt echter steeds meer bewust van het eigen culturele erfgoed en wat je daarmee kan doen. In het concert in Olympia komen alle elementen bij elkaar. Het album bevat voor een groot deel bewerkingen van traditionele Bretonse melodieën en songs, aangevuld met eigen composities, die nauwelijks van authentiek te onderscheiden zijn. De aanvulling komt met een handjevol Ierse en Angelsaksische traditionals, zoals The trees they do grow high en Foggy Dew. Ze worden uitgevoerd in een stevige verpakking met elektrische gitaar (Dan Ar Bras), bas (Gerard Levasseur), drums (Michel Santangeli), orgel (Pascal Stive), aangevuld met meer geijkte instrumenten als viool (Rene Werneer), bombarde, cello, fluit (Henri Delagarde) en akoestische gitaar, dulcimer en banjo (Gabriel Yacoub). Stivell neemt die typische Bretonse instrumenten voor zijn rekening (harp, bombarde, doedelzak, naast fluiten). Niet alle muzikanten zijn Bretoenen. Stivell gebruikte muzikanten uit Parijs zelf en Frankrijk. Hijzelf, Ar Bras en Delagarde waren de Bretoenen. ‘Twee dagen voor het concert bracht ik Michel Santangeli in omdat de drummer die we op het oog hadden niet echt een drummer was’ vertelt Dan Ar Bras over de samenstelling.

Het album A Olympia werd een groot succes, al direct na de release in 1972. Met name de impact in Bretagne was groot. ‘A Olympia is zonder twijfel het laatste en belangrijkste zetje geweest voor de revival van de Bretonse cultuur’ zegt Ar Bras. Het was een katalysator en zette veel jongeren aan om de draad op te pakken die Stivell uitgerold had. Er volgde een ware armada aan Bretonse folkrock groepen, zoals Ar Skloferien, Ar Bleizi Ruz, Sonerien du, Kouerien st Yann. Zelfs de groepen en muzikanten van vandaag zijn schatplichtig aan Stivell en zijn A Olympia. Door het succes, de (h)erkenning van de eigen Bretonse muziek en cultuur ontstonden overal festivals, werden wedstrijden opgezet voor typische Bretonse instrumenten als bombarde en biniou, werden dansstages georganiseerd, kreeg de Bretonse taal terug een duw. Er verschenen gespecialiseerde tijdschriften, later boeken over de cultuur en over Bretagne, zelfs in het Bretons. Meest bekend werden de festou-noz, de dansavonden. Die bestonden uiteraard al veel langer, voor de lokale bevolking. Maar nu trokken ook (folk)muziekliefhebbers naar die festivals, waar het kan-ha-diskan (zang en tegenzang) en de gwerziou (de tragische balladen) weer in ere werden hersteld. Sommigen beschouwen het album als een politiek statement. Stivell zelf heeft dat altijd in alle toonaarden ontkent. Dan Ar Bras: ‘de schade die de Franse republiek aan de Bretonse cultuur in het verleden heeft aangebracht is dermate groot dat alles wat je onderneemt met die cultuur een statement is, vanuit welk perspectief je dat ook bekijkt. Ik was me toen niet erg bewust van wat er allemaal met onze eigen culturele omgeving was gedaan. Dat ben ik me in feite pas gaan beseffen na Olympia’. Het album wakkerde dus wel degelijk een perceptie van eigen cultuurbeleving aan. Nationalisten misbruikten echter dit gegeven. Na A Olympia ging Stivell veel verder terug naar zijn bakermat, onder meer met de albums E Langonett en Trema’n Inis: kleinschalig, bijna huiselijk, vooral akoestisch en doordrenkt met alles wat maar Bretoens is. In 1980 nam hij het album Symphonie Celtique – Tir na nog op. Dat was wel duidelijk een politiek statement. Met dit album propagandeerde Stivell de Bretonse cultuur wereldwijd. Hij had een filosofie dat overal op de wereld sporen van de Keltische beschavingen terug te vinden zijn. Net zo groots en fantasierijk als dat idee is ook het album… 

Hoe Bretons A Olympia ook mag zijn, het album werd paradoxaal genoeg niet in Bretagne opgenomen, maar in het hol van de leeuw, de hoofdstad van Frankrijk, het episch centrum van het culturele centralisme. Laten we het maar een bewuste knieval noemen, zoals blijkt uit de woorden van Dan Ar Bras. ‘Jammer genoeg waren alle media geconcentreerd in Parijs. En Parijs is tevens de grootste ‘Bretonse’ stad, met al die Bretoenen die naar Frankrijk zijn vertrokken om werk te zoeken. Kennelijk moest het zo zijn en Stivell had weer eens de juiste keuze gemaakt.’ Na A Olympia werd met vrijwel dezelfde formatie het album Chemin de terre opgenomen en in 1975 weer een live album E Dulenn (A Dublin). Daarna werd de samenwerking tussen Stivell en de rest van de groepsleden beëindigd. Dan Ar Bras doet de ware reden uit de doeken. ‘Op het eind van 1975 namen we een album onder de naam Ys op. Het was vrijwel de gehele backingband van Alan. Die was daar niet echt blij mee. De enige manier op het door te zetten was bij hem weg gaan. Ik maakte daar ook deel van uit en heb nog arrangementen gemaakt voor de groep. Ik realiseerde me echter dat doorgaan met Ys betekende dat ik niet meer met Alan kon spelen. Het bracht me enorm aan het twijfelen, maar uiteindelijk heb ik besloten om verder met Alan te gaan. Bij Ys waren ze toen een beetje boos op me’. De terugkeer van Dan Ar Bras duurde niet lang. ‘Alan vroeg Dave Swarbrick om mee te spelen tijdens een tournee in Engeland. Daarna nam Stivell een korte pauze en werd ik door Swarbrick gevraagd om bij Fairport te komen. Dat duurde zo’n half jaar. Inmiddels was Stivell weer actief en sloot ik me weer bij hem aan. In 1976 nam ik mijn eerste solo-elpee op (Douar Nevez) en een jaar later vertrok ik definitief. Met pijn in het hart, want ik voelde me veel meer op mijn gemak als sidekick dan als frontman van mijn eigen band. A Olympia is dus niet alleen een belangrijk album geweest voor de Bretoense muziek in het algemeen, maar ook de start van mijn eigen muzikale carrière’ voegt Ar Bras daar aan toe. Dat geldt tevens voor meer muzikanten uit dat A Olympia team. De van oorsprong Frans-Vlaamse violist Renee Werneer werkte oorspronkelijk in duo met Gabriel Yacoub, was medeoprichter van de kortlevende YS, belandde later voor een periode in Malicorne als vervanger van Laurent Vercambre en speelde met onder meer met Paddy Le Mercier vooral werk van Michael Coleman. Hij maakte een paar soloplaten alvorens zich te specialiseren in klassieke muziek. Een andere naam is ook al genoemd: Gabriel Yacoub. Nog tijdens zijn begeleidende rol in de Stivellband nam hij met Marie Yacoub en een groot deel van Stivells begeleidingsband Pierre de Grenoble op. Daarna was het de beurt aan Malicorne. Die groep groeide uit tot het boegbeeld van de Franse folkrock. Maar hoezeer Yacoub verweven is met het album A Olympia toont de volgende anekdote aan. De meest gestelde vraag aan Gabriel Yacoub is uit welke Bretonse plaats hij oorspronkelijk afkomstig is…

Op 16 februari 2012 was het veertig jaar geleden dat A Olympia werd opgenomen. Ter gelegenheid daarvan gaf Alan Stivell met zijn huidige band en met een aantal gasten, waaronder Dan Ar Bras en Rene Werneer een heruitgave ten gehore in Olympia. Het gehele repertoire van de oorspronkelijke elpee werd gespeeld, aangevuld met enkele succesnummers van Stivell. Eveneens werd een dubbel-cd uitgegeven met de oorspronkelijke elpee en een tweede cd met een doorsnee materiaal uit de gehele carrière van Stivell.

Voor de bespreking lees je https://www.newfolksounds.nl/alan-stivell-ar-pep-gwellan/recensies/2012