Andries Boone – C.O.L.O.R.S.

C.O.L.O.R.S.
(Trad Records, Trad003)

De door de wol geverfde multi-instrumentalist Andries Boone, vooral gekend voor zijn bedrevenheid op mandoline en viool, speelt op deze (weliswaar van een rijk staal aan gastmuzikanten voorziene) solo-album daarenboven behoorlijk wat ander instrumentarium, zoals fender rhodes, vibrafoon, klokkenspel en octaafviool. Zijn ambitie bestond erin om rond de klank van de akoestische mandoline een klankentapijt op te bouwen dat zich sterk laat inspireren door de hedendaagse big bands, de barok, en de filmscores die verwantschap vertonen met die van Henry Mancini en Lalo Schifrin.
Voor de titels van de nummers liet hij zich dan weer leiden door de industriële poëzie van Peter van Eyck, die de kleuren die hij ontwaart koppelt aan automerken en hun corresponderende kleurnamen. De nummers groeiden vrij organisch tot het eindproduct in de periode 2011 tot 2018. Hij slaat hierbij dan ook een heel andere weg in als bij MANdolinMAN, en laat ons terug vertoeven in de sferen die aanleunen bij wat hij in het eerste decennium van deze eeuw bracht met het legendarische Ballroomquartet.
Vital Orange opent vol in de brass, ingekleurd door trombone (Dree Peremans Jr.), trompet en bugel (Géry Dumoulin) en de tenorsaxofoon van Koen Garriau, die de dialoog aangaan met de fluit van Stefaan Bracaval, en een ritmesectie rond Geert Mariën (drums) en Mathias Moors (contrabas). Zelf vlindert Andries hier zowat over heel zijn arsenaal, waarbij vibrafoon, klokkenspel en fender niet aan de aandacht ontsnappen. Dit geldt meteen voor de hoofdbrok van de daarop volgende nummers. Hemels feeëriek weerklinkt vervolgens Blue spaziale waarin fender, hobo (Kris De Smet), fagot (Kaat Hoogmartens) trombone en basfluit ons weerhouden helemaal op te stijgen.
Die doezelige sfeer kenmerkt ook Whisper green, waarna Red impulsion ons zowaar kippenvel bezorgt wanneer Andries, opnieuw na te toveren op fender en vibrafoon, zijn mandoline laat fladderen rond de stemmenpracht van het duo Noémie Schellens en Eva Hautekiet, omgeven door een strakke drumsectie en donkere tromboneklanken. Veel swingender gaat het eraan toe in Cadillac purple, waar de mondharmonica (Steven De Bruyn), naast het indringende vioolspel (Dirk Naessens) mee de toon voeren, en fluitrifjes evenmin ontbreken. De jachtigheid neemt toe met Ignition rose, waarin ook de mandoline voluit gaat en op zijn weg onder meer de trompet en bugel (Yves Fernandez) tegen het lijf loopt, gecounterd door de fluit.
Voor een melanchole sfeer is het wachten op het subtiele Queeny blue, waarin ook de octaafviool en basfluit hun opwachting maken. Vaak roept dit album associaties op met het Deense Afenginn, en dit is niet in het minst het geval in Shalom white of Werewolf grey, waarbij binnen een schijnbaar eenvoudige melodische structuur van alle kanten uiterst gedifferentieerde klanken opduiken. Buitenbeentje binnen dit briljante concept vormt de afsluiter, wanneer Andries zijn mandolinestrelingen tegen de ondes martenot van David Poltrock laat aanleunen, waarna ook de blazers geleidelijk komen aansluiten, terwijl Toon Van Mierlo ook even een punt plaatst op uilleann pipes.
Stuk voor stuk zijn elk van de nummers prachtige klankenschilderijtjes geworden, waarin zich telkens spanningsbogen ontwikkelen die gerust wat langer hadden mogen duren. Dit album voelt aan als één lange suite en verdient alle aandacht.