Arnaud Bibonne en Bohas Orchestra eren de boha


Arnaud Bibonne
Bohaussac, cornemuse traditionnelle des Landes de Gascogne
(AEPEM, 18/05)

Arnaud Bibonne (bohaussac, voetpercussie, zang) maakte er een erezaak van om ‘zijn’ instrument, de boha, voor altijd uit de vergetelheid te halen met een bloemlezing van talrijke dansen uit die regio. Net als veel doedelzakken geraakte dit type in de voorbije eeuw in de vergetelheid. In de jaren ’70 vond men er plots nog twee terug, later nog een zeventiental andere ‘authentieke’ exemplaren. Dus is men sindsdien net als in onze regio’s stevig aan de slag gegaan om volwaardige reproducties af te leveren, en daar ging heel wat onderzoekswerk mee gepaard. Meteen kunnen we stellen dat dit album heel rijk gedocumenteerd is. De ‘Bohaussac’ is in feite de opponent van de ‘Tsabreta of Tiabreta’, en situeerden zich respectievelijk aan de linker- en de rechteroever van de Garonne. Bibonne informeert ons over een aantal overgeleverde bouwers, en bespeelt hier op kopieën van Benquet, Lestage, Blanchard, Dardey en een anoniem origineel (ATP 1966-114-3), waarvan we in het booklet beknopte geïllustreerde biografische informatie terugvinden.
Deels solo, deels samen met bevriende muzikanten, laat hij ons vervolgens genieten van het dansrepertoire uit de Gascon. Solerend zichzelf zowat voortdurend begeleidend met voetpercussie valt al bij de eerste wals Trempatz la sopa los cosinéirs het deels polyfone karakter van dit instrument op, wat te verklaren valt door het gegeven dat er twee parallelle kanalen geboord worden binnen eenzelfde stuk schalmeipijp. Virtuoos is zijn Marche nuptiale, waarbij hij hoog uithaalt bovenop zijn vaste melodielijn, en vervolgens ook nog eens voluit aan het zingen slaat. Heel blijmoedig klinkt zijn Scottish d’après Lothaire Mabru en ook valt het moeilijk zich te realiseren dat hier slechts één instrument klank produceert.
Hij laat ons ook een staaltje horen van een minder bekende dansvorm, de in paren gedanste borregada, en biedt hij een puik staaltje van een snelle wals met de Valse d’après Lothaire Mabru en een rijk geornamenteerde en behoorlijk gepointeerde tragere, de Valse à orpheline. Tussendoor laat hij zich voor een viertal nummers omringen door Marthe Tourret (viool) en Lucien Pillot (draailier). Naast een suite van gestaag aanzwellende, archaïsche rondeaux, levert dit onder meer een pittige interpretatie op van de Mazurka d’après Ernest Lurde, en de iets meer ingetogen, meeslepende wals Tròp tròp s’i éra luuat lo mòine. Twee van zijn kompanen uit het kwintet Faburden , met name Camille Raibaud (viool) en Simon Guillaumin (draailier) gaan vervolgens met hem aan de slag voor twee stevige rondeaux-suites. Laatstgenoemde laat hierbij onbevangen zijn neo-traditioneel meesterschap over zijn instrument aan bod komen. Ook violist Jacques Baudoin komt even postvatten om een drietal rondeaux extra rauwe weerklank te bieden. Voor de ultieme finale trok hij samen met organist Marcel Pérès naar de abdij Saint-Pierre te Moissac om er in boeiende dialoog te treden met het plaatselijk orgel in een set die naast een religieuze melodie, nog enkele rondeaux laat weerklinken.
Binnen de jongere generatie wordt Bibonne beschouwd als een van de meest prominente promotoren van de bohaussac, en terecht. Dit rijk gedocumenteerde en geïllustreerde album combineert een synthese van het opzoekingswerk in de voorbije decennia, gekoppeld aan een weldoordachte bloemlezing van het lokale materiaal, met respect voor de traditie uitgevoerd vanuit een hedendaagse benadering.

 


Bohas Orchestra
Cornemuses Landaises & Couleurs Gasconnes
(AEPEM, 201heel 8/06)

Een andere insteek om de boha tot zijn recht te laten komen bestaat erin om ze samen te brengen binnen een ensemble. In Bohas Orchestra schaart artistiek directeur Yan Cozian (boha, klarinet) er een tiental rond zich, samen met twee percussionisten. Met hen levert hij een rijke selectie af van Occitaanse melodieën die je aansteken om te dansen en/of aan het zingen te slaan. Deze komen aangenaam op ons afgewaaid zoals bij een Bretoense bagad of een Schotse pipe band. Hier wordt evenwel ook behoorlijk wat afgezongen.
Dit is meteen aan de orde in de inleidende suite van wervelende ‘congos’, waar zich in het laatste deel een koorzang met gemengde stemmen ontwikkelt, uiteraard in het Gascon. Het zelfde geldt voor La vesina (de buurvrouw) waarbij ze hier de melodie interpreteerden als een mazurka, en waarbij de strofen instrumentaal enkel gedragen worden op een vaste bourdontoon, naast heel rudimentaire ritmische begeleiding vanuit de percussie. Het hoeft niet altijd ingewikkeld te zijn om mooi te klinken.
In de daaropvolgende suite van rondeaux vormt het eerste deel een compositie van Cozian, terwijl het tweede een grote standaard werd in de Landes is geworden nadat ze gepopulariseerd werd binnen de operette Voyage à Sant-Malo. Van een indrukwekkende, melancholische schoonheid getuigt de klaagzang uit de Béarn Hilhòta de del`l’aiga, waarin Yan zingend de dialoog zoekt met gastzangeres Pascale Lavielle. Zo komen we er nog wel een paar tegen.
Dat congo’s zich er echt wel toe lenen gespeeld te worden door groter ensemble blijkt alweer in het door Cozian geschreven Congo Cantiran. Ook het tweestemmig opgebouwde arrangement op de snelle wals, Valse hazadaise kan ons bekoren, terwijl Cozian’s Pòlka deu Pinsan een pittig staaltje naar van neo-traditionele aanpak oplevert.
Naast een set scottisches en mazurkas, waarbij het – deels gezongen – Carnaval zeker zijn plaatsje hier verdient, weet ook de Suite de valses ons te bekoren. Ook hier valt, na een instrumentaal inspelen, de koorzang in. Het vormt het fel contrast, met het langzame, plechtstatige La cançon de la hialaire, opgedoken in de verzamelingen van de componist Joseph Canteloube, vormen de aanloop nog enkele scottisches. Kers op de taart vormen een laatste set rondeaux, die ons onder meer toeleiden naar een paar pareltjes uit de Gers, ingezongen door de vrouwenstemmen binnen het gezelschap.
Het opzet resulteert in een heel geslaagde poging om de specifieke, soms wat fluwelige, tonaliteit van de boha-doedelzak alle eer aan te doen, die er zich net als de biniou perfect toe leent om in ensemble gespeeld te worden.