Ate Doornbosch (1926-2010)

Liedverzamelaar met hoofd en hart
Ate Doornbosch (1926-2010)

 

Op 23 juli 2010 overleed, na een kort ziekbed, Ate Doornbosch in zijn woonplaats Schiedam. De volksliedverzamelaar werd vooral bekend door zijn radioprogramma ‘Onder de groene linde’, dat van 1957 tot 1993 door honderdduizenden luisteraars werd gevolgd.

Foto: Joop van den Bremen

Ate Doornbosch werd geboren op 1 januari 1926, in Nuis, in het Groninger Westerkwartier in een ‘rood nest’. Zijn vader was schilder, maar vooral actief als schrijver en voorman in de SDAP, de VARA en het NVV. Ate ging naar de HBS en wilde, na het ‘verslinden’ van Multatuli, bestuursambtenaar in Nederlandsch Indië worden. De oorlog kwam ertussen en hij kwam als administratieve kracht bij de Raad van de Arbeid terecht.

Ate solliciteerde bij de VARA en werd medewerker bij de afdeling Lichte Muziek. Hij wilde programmamaker worden. In het programma Niet zo… maar zo! werden de volksliederen niet gezongen zoals Ate zich dat uit zijn jeugd herinnerde. Op zijn vraag om meer aandacht voor liederen uit de mondelinge overlevering, ontkende de programmaleiding het bestaan ervan. Maar Ate herinnerde zich wel de zingende mensen uit zijn jeugd, die bij hem thuis stonden te wachten rond de pomp tot die ontdooide als die bevroren was. Strak kijkende mensen die, naast elkaar zingend, zich teksten stonden te herinneren.

In 1957 kreeg Ate Doornbosch toch de kans om met vijf uitzendingen te bewijzen dat die liederen er waren. Bij de start mocht hij het programma echter niet zelf presenteren vanwege zijn Gronings accent. Een regionale tongval was in die tijd, behalve bij de katholieke omroep, uitgesloten. Het programma had nog geen naam, maar na zo’n tien uitzendingen heette dat Onder de groene linde en Doornbosch werd toch presentator.

In het programma, dat uiteindelijk dertienhonderdzestien uitzendingen telde, liet Ate Doornbosch mensen horen die oude liederen zongen. Het bleek vanaf de start een groot succes. Gemiddeld 350.000 luisteraars volgden iedere uitzending. De eerste opnamen die hij liet horen waren van Rika Vegter-Deen (1886), de grootmoeder van zijn vrouw.

Naar aanleiding van de uitzendingen kreeg Doornbosch honderden brieven. De briefschrijvers noteerden vooral aanvullingen op de liederen. Daarin vond de programmamaker dan weer aanknopingspunten voor nieuwe veldopnamen. Met deze unieke, interactieve werkwijze maakte Doornbosch zo’n vijfduizend opnamen en ontfutselde hij honderden liederen in uiteenlopende versies aan de vergetelheid. Het lukte hem steeds weer mensen zo ver te krijgen om te zingen. “Ik heb van nature weinig geduld. Maar ik heb wel geduld om naar mensen luisteren. Ik kon mij goed verplaatsen naar het verleden, naar de toestanden waarin zij werkten en leefden en met hun gezin omgingen,” vertelde hij. De veldwerker registreerde niet alleen het lied, maar ook de achtergronden. De bijbehorende verhalen tekenden vaak ellendige omstandigheden en bittere armoede. Het verzamelen ging niet altijd vanzelf, maar door zijn innemendheid lukte het Doornbosch eventuele twijfelaars toch over de streep te trekken; al moest hij daarvoor meerdere huisbezoeken afleggen.

Het meeste materiaal kwam, zeker in het begin, uit het noordelijk deel van Nederland. In het katholieke zuiden borrelden minder liederen op. De Nederlandse bisschoppen vaardigden in 1954 een mandement uit dat de katholieken in feite verbood naar de ‘rode’ VARA te luisteren. Na de intrekking van het mandement in 1966 sudderde de betekenis ervan nog na. In 1968 verhuisde het programma naar de Nederlandse Radio Unie – de voorloper van de NOS – en doken er meer liederen uit het zuiden op.

Rond die tijd (1966) kreeg Doornbosch ook een plek bij het Volkskundig Bureau, de voorloper van het Meertensinstituut. Hij bleef zijn radioprogramma maken en wilde kasten vol met liederen vullen: “Zoals met andere onderwerpen waarvan al een hoop materiaal was. Het volkslied ontbrak en daar wou ik wat aan doen. Dat is ook een van de redenen geweest dat ik mij niet van dat werk liet afhouden.” zei hij. “Ik vond het gek dat het Meertensinstituut van alles verzamelde op het gebied van de volkskunde en niks op het gebied van de liedcultuur.”

Voor het echte wetenschappelijke werk was hij niet in de wieg gelegd: “Ik vond dat, en ik bedoel dat niet denigrerend, gepietepeuter, omdat ik er te weinig geduld voor heb.” Er staan slechts weinig publicaties op zijn naam. Van de boekenserie Onder de groene linde waren zeven delen gepland. Het werden er uiteindelijk vier; het gevolg van zijn streven naar perfectie en de publicatiedrift van de redactie. Dat er wrijving bestond, blijkt uit de ‘aftiteling’. Daar verdween Doornbosch als commentator na deel één. Hij wilde er nooit echt over praten, bang om mensen te beschadigen. Toch voelde de ‘onderzoeker van de koude grond’ zich geen vreemde eend in de bijt tussen de wetenschappelijk opgeleide collega’s.

Bij het vijfentwintigjarig jubileum van Onder de groene linde werd Doornbosch de vraag gesteld: “Waar werk je nou het liefst? Bij de radio of bij het wetenschappelijk instituut.” Doornbosch antwoordde: “Met mijn hoofd bij het instituut en met mijn hart bij de radio.”

Ate Doornbosch droeg ook bij aan de terugkeer van het Nederlands in de folk. In de slipstream van de Amerikaanse folkrevival in de jaren zestig nam de populariteit van die muziek toe. Uit de gekozen namen van groepen zoals Crackerhash, Tail Toddle en King’s Galliard blijkt al dat Engelstalig repertoire de leidraad vormde. Pas nadat Britse folkmuzikanten de vraag stelden waarom de Nederlanders niet in hun eigen taal zongen, volgde een kentering. Na de doorbraak van Fungus in 1974 met Kaap’ren varen, nam de vraag naar Nederlandse liederen toe. Pitchwheel schakelde over op Nederlands en veranderde de naam in Wargaren. Andere groepen volgden met Nederlandstalig materiaal zoals Wolverlei, De Perelaar en Folkcorn. De laatste groep is nog steeds actief.

Het door Doornbosch verzamelde materiaal leek in de behoefte aan Nederlandstalige liederen te voorzien. De melodieën bleken echter, op enkele uitzonderingen na, niet geschikt. Ook ‘t Kliekske zong in Onder de groene linde liederen die Doornbosch eerder noteerde. “De meeste liederen spraken niet echt aan,” zei hij daarover later, “en dat zal toch in de muziek gezeten hebben.”

Doornbosch legde de laatste uitlopers van onze mondeling overgeleverde liedcultuur vast. Het resultaat is een verzameling van zo’n vijfduizend liederen, waarbij bovendien nog vaak de sociale context vastligt. Wetenschappers van het Meertensinstituut en de afdeling Informatica van de Universiteit van Utrecht gebruikten al materiaal uit die immense verzameling om een melodieënzoekmachine te ontwikkelen. Mogelijk dat in de toekomst nog meer onderzoek plaatsvindt. Doornbosch zelf zou het ongetwijfeld belangwekkend vinden, de liederen te vergelijken met buitenlandse verzamelingen om meer te weten te komen over de migratie; een onderwerp waarvoor hij zich in hoge mate interesseerde.

In december 2008 verscheen een door Music & Words uitgegeven cd-box, gevuld met honderddrieënzestig liederen uit de omvangrijke verzameling die bij het Meertensinstituut is ondergebracht. Tegelijk verscheen ook het vierde en laatste deel van de boekenreeks. Bij de presentatie kon Doornbosch in verband met ziekte niet aanwezig zijn. Gelukkig was hij vorig jaar nog wel aanwezig bij de ‘onthulling’ in zijn geboorteplaats van een naar hem genoemd bankje.

Ate Doornbosch werd door zijn baas, Han Voskuil, in diens roman Het bureau als Jaring Elshout wat sullig opgetekend. Maar de liedverzamelaar was ook ereburger van Hilversum. Pier Tania maakte een documentaire over hem die met een Zilveren Harp werd bekroond. In 1990 ontving Doornbosch de Visser-Neerlandiaprijs. De cd box met 9 cd’s ontving niet alleen een Edison, maar ook een Jahrespreis der Deutschen Schalplattenkritik. Zelf bleef de nuchtere Groninger onder dat alles bescheiden; een prettig causeur met een uitstekend gevoel voor understatement.