Auga de Maio

Milladoiro’s Auga de Maio: Hoogtepunt in de Galicische muziekscene

Een jubileum met een zilveren omlijsting en een gouden album. Milladoiro bestaat precies vijfentwintig jaar; zestien albums staan op hun naam. Een mooi moment om in het kader van onze serie Meesterwerk de vraag te stellen: Is er één album dat daar uitspringt, het mooiste, belangrijkste, meest complete van allemaal? Een logische, maar niet zonder meer eenduidig te beantwoorden vraag in dit geval. Milladoiro is dé muzikale formatie uit Galicië, ze bestaan zonder onderbrekingen het langst van alle Galicische groepen en stonden aan de bakermat van de folkrevival aldaar.
Auga de maio (2000) is naar mijn mening het album waarop hun muzikale concept het best tot zijn recht is gekomen. Hieronder volgen mijn beweegredenen voor deze keuze en een toelichting, onder meer door het album in de bredere context van hun repertoire en hun drijfveren te plaatsen.

Auga-de-maio

 

Waarom Milladoiro?
“The Chieftains van het zuiden” is een van de vele terechte complimenten die ze hebben gekregen gezien hun muzikale kwaliteiten en aanpak; het is veelzeggend. Sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw maakten Galicië en het aangrenzende Asturië een ware folkrevival door. De regionale volksmuziekscene heeft sindsdien een explosie aan nieuwe Keltische bands en artiesten opgeleverd. Veel, zo niet de meeste, van deze artiesten zijn direct beïnvloed door de pioniers van Milladoiro. Luar na lubre, Susana Seivane, maar ook het vrouwen zang/percussie-ensemble Leilía zijn slechts enkele voorbeelden. Sindsdien is Milladoiro voorloper gebleven op veel punten in Galicië en dat is een knappe prestatie. Ze combineerden de traditionele Galicische met Ierse en Bretonse muziek, maar pakten ook als eerste andere invloeden op, zoals klassieke muziek (samenwerking met orkesten, inbreng van hobo). Het is daarom Milladoiro als groep die een grote invloed heeft gehad op de muzikale ontwikkelingen in Galicië in de afgelopen twintig jaar. Het is niet zo dat er één album uitspringt dat een extra bijzondere betekenis in deze heeft. Wel kun je over de eerste albums natuurlijk zeggen dat deze ook als eerste de stimulerende werking op anderen overbrachten.

MilladoiroDe waarde van de eerste vijf albums van Milladoiro ligt in het feit dat de Galicische muzikale wortels én de verbindingen met de Keltische muziek stap voor stap, album voor album verder ten gehore werden gebracht. A Galicia de Maeloc (1979) is het debuut van de specifieke stijl van Milladoiro. Het kenmerkt zich door een mengeling van traditionele Galicische composities, Ierse melodieën (onder andere Si bheag si mhor, vgl. Meesterwerk NFS 87 juni/juli 2003, over het Ierse Planxty) en eigen composities. Milladoiro geeft hier voor het eerst én als eerste in Galicië de Brits-Keltische muzikale connectie met hun geboortegrond op vinyl weer. Voor het eerst klinkt er een keur aan akoestische instrumenten op harmonieuze wijze samen in de Galicische muziek, gestoken in een geheel eigen jasje: de Galicische doedelzak (gaita), accordeon, ocarina, draailier (sanfona), klavecimbel, fluiten, uillean pipes, Keltische harp, bouzouki, gitaar en viool.

Er volgen vier soortgelijke albums. Opmerkelijk zijn het allereerste opgenomen duet tussen de gaita en de uillean pipes en de introductie van de synthesizer (op O berro seco uit 1980), het gebruik van de Schotse Highland bagpipes (op Milladoiro 3 uit 1982), de connectie met de Bretonse muziek (op Solfafría uit 1984) en de samenwerking met het Galicische vrouwenkoor Leilía met zang en tamboerijnen (op Galicia no país das maravillas, 1986). De Milladoiro stijl is met deze eerste vijf platen gezamenlijk een feit. Belangrijk om te vermelden is ook dat de meeste albums in Ierland werden geproduceerd door Brian Masterson.

Het valt op deze plek overigens ook te verdedigen dat het laatstgenoemde album een historische is, omdat hier voor het eerst een folkgroep en een traditionele Galicische zang/percussiegroep samen gingen werken. Later zouden vele groepen dit voorbeeld volgen. Zo werd bijvoorbeeld recentelijk en heel dichtbij de groep Ialma in Brussel opgericht.

De klassieke component krijgt vanaf Castellum Honesti (1989), Galicia no tempo (1991) en Iacobus Magnus (1994) veel aandacht in de arrangementen van Milladoiro. Een belangrijke rol is weggelegd voor de hobo en de klarinet. Genoemde albums betekenen ook de succesvolle doorbraak buiten Europa, met name in de Verenigde Staten en Japan. Het Amerikaanse Green Linnet label speelt hierin een belangrijke rol. In de jaren negentig begint de groep aan een hele serie opnames voor bijzondere gebeurtenissen, zoals soundtracks voor theaters (A vía láctea, 1993), tentoonstellingen (A xeometría da alma, 1993), de viering van het vijfhonderdjarige bestaan van de Universiteit van Santiago de Compostela (Gallaecia Fulget, 1995) en een marketingopdracht voor het Galicische toerisme (de mini-cd No confín dos verdes castros, 1999). Het aantal eigen composities neemt gaandeweg toe, tot soms complete albums van eigen hand, altijd in de traditionele klassieke stijl. Voorlopige kroon op al deze werkzaamheden is de vooralsnog enige, in Argentinië opgenomen, live-cd As fadas de estraño nome (1995), een krachtige weergave van hun afwisselende repertoire.

 

Waarom Auga de maio?
Al eerder heb ik over Auga de maio (NFS 69, juni/juli 2000) geschreven, en het album belandt bovenaan mijn jaarlijstje van datzelfde jaar. Ook andere publicisten en recensenten wijzen op de bijzondere waarde van dit album. Dennis R. Stone van het tijdschrift Folk Works staat niet alleen in zijn mening wanneer hij Auga de maio omschrijft als: “A beautiful pearl, with a polished sound that is distinctly Celtic, yet exotic and international in flavor. I included this album in my list of top ten Celtic cd’s for the year 2000. The quality of this effort is outstanding. Highly recommended.” Tientallen Galicische en Spaanse kranten prijzen het album de hemel in, terwijl het tal van onderscheidingen oplevert, bijvoorbeeld de Premios de la Música 2000, waarbij Moraima als het beste liedje in de Galicische taal uit 2000 wordt bestempeld. Auga de maio wordt in maar liefst twee jaar (1998-1999) opgenomen. Er is zorg aan het album besteed, de repertoirekeuze (tien traditionele liedjes en vijf eigen composities, waarvan vijf nummers met zangpartijen) is afgewogen en breed gevarieerd. Het is het langste album van Milladoiro tot nu toe; we worden verwend. Het is, persoonlijk bekeken, ook het album waarop de tragische nummers me nog steeds kippenvel bezorgen en de opzwepende, spetterende dansmelodieën nog altijd tot swingen aanzetten (kennis over en ervaring met de traditionele danspasjes moet ik ontberen).

Castellum-Honesti-Auga de maio verschijnt tien jaar na diverse bijzondere projecten; op Castellum Honesti (1989) had Milladoiro zich voor het laatst toegelegd op de pure traditionele muziek. De draad van de eerste serie albums is weer opgepakt en de ervaringen met allerlei experimenten in de tussenliggende periode zijn meegenomen. We horen de unieke mengeling van middeleeuwse, Moorse en Keltische muziek, traditionele, klassieke en eigen(tijdse) benaderingen. In feite vat het album daarmee twintig jaar geschiedenis van de band samen.
Een band die ondanks alles tot dat moment qua bezetting absoluut stabiel gebleken is. Slechts voor de vioolpartijen zijn drie muzikanten gekomen en gegaan. Achteraf blijkt echter dat Auga de maio het laatste album is waarop Rodrigo Romaní meespeelt. Zijn rol en betekenis voor Milladoiro is zeer groot geweest, zijn muzikale inbreng veelbepalend. Als medeoprichter van de band bespeelt hij vanaf het begin zowel de harp, ocarina, bouzouki en gitaar en tekent hij op Auga de maio voor het eerst ook voor de zangpartijen, naast de gastrollen voor Olga Cerpa (Mestisay) en Ana Belen. Op dit album horen we, vermoedelijk voor het laatst, Romaní van zijn beste en meest brede kant in het unieke ensemble Milladoiro.

Hoogtepunten op het album vormen in mijn ogen de opening Alalás da Ulla die een sterk gevoel van heimwee oproept, en het traditionele Ribeirana E Golpe, waarop de harp centraal staat. Verder explodeert de hele groep op het eind van de cd in een hele reeks opzwepende dansen, de Muñeiras de Poio E de Manuel Dopazo en het afsluitingsnummer Maneo de Fontenla-Jotas. Completer, spannender en evenwichtiger dan ooit tevoren is Milladoiro in staat gebleken om een bijna volledig akoestisch album (op synthesizers na) te produceren, met een topbezetting. Dé parel op hun kroon.

Twee jaar geleden verschijnt van Milladoiro O niño do sol. Een knappe prestatie, want de groep laat zien dat het ook met vers bloed de lijn die met Auga de maio weer werd opgepakt en gecompleteerd, voort kan zetten.


Tekst: Serge Boekhoorn

Dit Meesterwerk verscheen in © New Folk Sounds 94aug/sept 2004