Aurelie Dorzée, Tom Theuns & Michel Massot – Elixir

Elixir
(Homerecords, 444 6210)

Soms treffen we een productie waarbij reeds na een eerste beluistering de aandrang opkomt om die andermaal te beluisteren, waarna reeds snel abstinentieverschijnselen optreden wanneer we de voortschrijdende aandrang pogen af te remmen. Elixir, het zesde album van levensgezellen Aurelie Dorzée (viool, viola d’amora, trompetviool, spijkerviool, psalterion, zang en composities) en Tom Theuns (mandoline, mandolauoto, gitaar, sitar, banjo, zang en composities) is er zo eentje. Ze lieten zich hiervoor bijstaan door de, vooral in jazzsferen legendarische blazer Michel Massot (trombone, euphonium, saxhorn alto en sousafoon).
Na een korte, kakafone ouverture waarin we even ondergedompeld worden in een instrumentale chaos, worden ons een twaalftal medicinale mengsels aangeboden, te beginnen met het titelnummer, symbool voor de kwintessens van het leven, gedistilleerd uit extracten van de Europese traditie en middeleeuwse ballades. Hoe eigentijds het ook klinkt (en misschien juist daardoor) had dit nummertje een toppertje kunnen geweest zijn uit de grote jaren van Malicorne, waarbij de samenzang van Aurelie en Tom me terugvoeren naar de duetten van Marie en Gabriel Yacoub. Heerlijk die tempowisselingen, ondersteund door een veelkleurige instrumentale bezetting die perfect aansluit bij die sferen, fantastisch ook die bas-ondersteuning door de sousafoon, die ons de wenselijkheid van een bourdoninstrument doet vergeten.
Verbluffend ook de manier waarop Massot in het tweede deel op trombone de melodie gaat bijtreden. Start van een magische alchemistische reactie die zich doorheen de verdere plaat ongebreideld verder zet, getuige meteen het navolgende Mars, waarin zich een voortdurende plagerij tussen vreugde en melancholie ontspint, en echo’s van de caravanserai langs de zijderoute zich ontspinnen doorheen het subtiele snarenspel.
Hoort hoe aarzelend La Tarantalina zich op de snaren ent, tot de bombardon mee komt ondersteunen en aanmoedigt over te gaan tot een rijkversierd snarengepluk, dat na een crescendo naadloos overgaat in een hogere versnelling. Speelser kan het haast niet, te ernstig om het kolderiek te noemen, maar telkens weer dermate verrassend en inventief: inderdaad magisch. Die magie ontbreekt evenmin in het hoog, in een onbestemd taaltje (Latijn?) ingezongen Organetto.
Opmerkelijk is ook de ‘Nail box blues’ waarbij Aurelie zich bedient van een nooit eerder geziene spijkerviool (ruwweg een blok hout, in een cirkel doorregen met nagels, waarop de strijkstok zich een weg baant). Ook haar stemgeluid, dat zo uit het verre oosten lijkt te komen, versterkt de betovering van een nummer dat evolueert naar de echte blues. Dansbare muziek, zeker wel op het sensuele Kamazurka. Hoe dan ook dwingen de nummers je vooral om de ogen te sluiten, en luisterend de verbeelding zijn weg te laten zoeken doorheen al die veellagige muzieklijntjes waarvan je nauwelijks kunt vermoeden dat die met slechts drie paar handen (naast drie monden) geweven kunnen worden.
We onthouden nog heerlijke dialogen tussen psalterion en gedempte trombone in het gezongen Santur solis, de opening op sitar in Mon arbre, een laatste eerbetoon aan een van hun geliefde bomen uit hun tuin die strijd om rechtop te blijven staakte.
Ook hun afsluiter La parade des fous, waarin ook de kazoos gaan mee neuriën is er eentje van een overweldigende kleurenrijkdom. Een stevig bundeltje strak compositiewerk en vrije, organische improvisatiemomenten vormen hier essentiële verbindingselementen. Een absolute aanrader!