Bao Sissoko, Mola Sylla & Wouter Vandenabeele – Tamala

Tamala
(Muziekpublique, 09)

Tamala (reizigers), groepsnaam van het ‘nieuwe’ trio Mola Sylla (zang, xalam, kalimba), griot en koraspeler Bao Sissoko, beiden uit Senegal, en violist Wouter Vandenabeele (Ambrozijn, Olla Vogala,…) werd eerder dit jaar door Klara reeds bekroond met de Classical Music Award voor de beste Belgische cd in de categorie wereldmuziek. Hun, door Muziekpublique uitgebracht album, mag dan ook niet onbesproken blijven. Bewegend tussen verschillende tradities en balancerend tussen traditie en vernieuwing, akoestische kracht en verfijning staan ze borg voor een rijke ontmoeting die hun muzikale alchemie ver overstijgt.
In het booklet werd trouwens alles in het werk gesteld om de luisteraar optimaal te laten meegenieten van de integere poëzie die Mola zelf schreef en vertolkt. Voor de muzikale composities doken ze afwisselend in de pen. Zo drijven we in de opener Salubrité traag mee in de melancholische rivierstroom om ons te bezinnen over de kwetsbaarheid van de natuur.
De West-Afrikaanse bluessfeer breekt helemaal open in Kure Ndey wanneer hij de sterkste, niet van pijn en opoffering gespeende, band bezingt: die tussen moeder en kind. Lichtvoetig dansen viool en kora gelijkgestemd doorheen het instrumentale Ceppe, opgedragen aan de gelijknamige Senegalese organisatie die in Dakar straatkinderen van een opleiding voorziet (en waar een deel van de opbrengst van dit album aan geschonken wordt).
Ook in Mansour is de dialoog tussen die twee instrumenten hemels mooi. Wouter en Bao speelden ooit Zanzibar op het gelijknamige eiland, samen met de in 2013 overleden Taarab zangeres Bi Kidube. Hier wordt deze – parlando gezongen – queeste van een verdwaalde ontdekkingsreiziger die de sterren aanroept dicht bij hen te mogen vertoeven een eerbetoon aan Kidube.
Een ander pareltje, waarin ook derbukaspeler Levent Yildrim als gast fungeert, Géej dju Malika (zee van Malika), de legendarische stad waar iedereen zich in het wit kleed, als teken van intermenselijke gelijkheid. Ook de geschiedenis van het dorp Nder behoort tot het collectieve geheugen van Senegal. Moorse slavendrijvers botsten hier in de 19de eeuw op een schare vrouwen die hun dorp moedig verdedigden en tenslotte verkozen collectief zelfmoord te plegen, liever dan in handen van de Moren te vallen.
Ook het instrumentale Kongoman, door Mola gespeeld op het gelijknamige instrument (verwant aan de kalimba), verwijst naar de problematiek van de slavenhandel en vergezelde de Congolese slaven op hun tocht naar de kust om ingescheept te worden. Dit nummer biedt een onberispelijke evocatie van de eindeloze barre processiegang.
Dat verliefdheid tot waanzin kan voeren vormt een universeel thema, dat evenzeer opduikt in het in de sousou-taal gezongen Xafamaja. De afsluitende, in het ‘pulaar’ gezongen, ode aan de bloedmooie vrouwen van de Peuhl-nomaden, waarin Wouter andermaal zijn meesterschap over zijn viool demonstreert, wordt voorafgegaan door een ingetogen, buitengewoon integer wiegelied, Ayo Nene.
Dit album, dat zinderend van getemperde akoestische kracht een verwevenheid van Zuid en Noord bezegelt, straalt een ongekende louterende muzikale warmte uit.