Ciac Boum – L’Homme sans tête

L’Homme sans tête
(Le Grand Barbichon Prod, CB06)

Welk eerbetoon levert dit trio rond Christian Pacher (zang, viool, altviool), Robert Thébaut (viool, gitaar, fluiten, harmonica) en Julien Padovani (piano, fender rhodes, harmonium, moog sub-37, farfisa syntorchestra, chromatisch accordeon, gitaar, koorzang) af met betrekking tot de liedtraditie uit het Franse departement Deux-Sèvres (79)! Vooral geroemd omwille van hun frisse aanpak binnen de dansmuziek werkten ze zopas een echte luisterplaat af. Hier maakten deze poëtische pareltjes tot voor kort deel uit van het lokaal familiaal verkeer.
Enkele kwamen tot Christian via zijn veel te vroeg overleden vader en cultuurbewaker André, andere via onder meer Jany Rouger. Liederen die een tijdloosheid en een universaliteit uitstralen, puttend uit de eeuwige thema’s rond de omgang der geslachten.
Geluidstovenaar Aurélien Claranbaux hield de regie in handen. Daardoor blijft er, ondanks de grote schare elektronische geluidsvoortbrengers een globale akoestische klank overheersen. De opener Trigou vertrekt trouwens zonder begeleiding, en kent verder vooral accentjes in de zachte percussie, terwijl Les filles de Noirmoutier, vooral mee gedragen wordt door een fragiele pianobegeleiding, vooraleer dit nummer uitbreekt in een dramatisch crescendo. Een vergelijkbare, heel geleidelijke opbouw van instrumentale laagjes vinden we ook in het titelnummer terug.
Voor een aantal nummers hebben ze een gastdrummer, Toma Gouband, die mee bijdraagt tot de dreigende sfeer in het tragische La noblesse, dat net als La servante een stijlvoorbeeld vormt van hoe elektro en akoestiek perfect hand in hand kunnen gaan in het omgaan met traditie. Of misschien valt de luisteraar meer voor de sobere harmoniumbegeleiding in Rossignolet sauvage? Pacher kroop zelf in de pen voor Fiouc, een in het dialect ingezongen pareltje dat een oriëntaalse toets krijgt door de oudbegeleiding van gast Oussama Abdelfattah, waarna de violen ook mee inzetten. Thébaut en Padovani van hun kant puzzelden bij wijze van intermezzo aan één instrumentale, meer dan tien minuten welluidend weerklinkende orkestrale suite.
Voor Migrateurs engageerden ze immers niet minder dan een dozijn meesterlijke violisten (met onder meer Matèu Baudoin, Basile Brémaud, Pierre Droual, Gabriel Lenoir en Camille Raibaud), Baltazar Montanaro (baritonviool), een trio cellisten en Jean-Laurent Cayzac op contrabas. Ze schreven ook de muziek op het afsluitende I saé benéze, een in 1978 door André Pacher geschreven gedicht, dat zoon Christian in een narratief parlando vertolkt. Een niet te versmaden album vol boeiende muzikale verrassingen die de Centraal-Franse liedtraditie nieuw leven inblaast.