Dan Charibian Trio – Da Svidaniya Madame

Da Svidaniya Madame
(Lamastrock, Outhere Distribution, LAM114386)

Sinds Bratsch, tot 2015 één van de uitdragers van de zigeuner- en oosterse muziek sinds de jaren tachtig, het voor bekeken hield bewandelde zanger en gitarist Dan Gharibian nieuwe paden. Dit doet hij onder meer met zijn trio dat verder bestaat uit Benoit Convert (gitaar en koorzang) en Antoine Girard (accordeon en koorzang), die instaan voor de heel frisse arrangementen.
Bijna een halve eeuw stemgebruik maakt zijn stem nog rijper, gesmeerd zoals de zigeuner het hoort te doen. Die stem vormt de kern van dit album, waarin hij zich ontpopt als dromer, alchemist met een contemplatief kantje, op andere momenten scherp, soms explosief. Dit draagt hij uit vanuit een repertoire waarin het de muziek is die de noten lanceert, en dat als schuiloord kunnen dienen voor de vagebond. Zo acht hij zich een troubadour van deze tijden, universele ballades uitzingend over liefde, vriendschap en ontmoetingen.
Hij leidt ons met Egniatias 406 (Kostas Virvos) binnen in de Griekse rebetica, de eerste strofe in het Grieks zingend en vervolgens overgaand in het Armeens, de taal die hij ook hanteert in het zelfgeschreven titelnummer, een melancholisch, op het accordeon deinend, afscheidslied. Voldragen bewandelt hij voorts de paden van het Franse chanson, met interpretaties van Rimes (Claude Nougero en Aldo Romano) en Charles Aznavour’s Parce que.
Een Grieks-Macedonisch gekleurd Salvatrices Mamelles werd hen aangeleverd door Bruno Girard. In Gulo treffen we een door hen bewerkte, in het Armeens gezongen traditionele ballade over een visioenen na een verloren geliefde.
Voor de nostalgische, door Gharibian gecomponeerde en in het Romanès gezongen wals Tavès Bartalo, liet hij zich inspireren door een traditionele Hongaarse melodie, en ook op Adieu Latcheben van de ons welbekende Koen De Cauter(!). Verrassend slaan ze ook een bruggetje met het Afrikaanse continent met het door brede instrumentale intermezzo’s uitgesponnen Siya lé, gebracht in het Dioula van Burkina Faso.
De uitnodiging voor het zigeunerfeest ontvangen we met, het eveneens in het Romanès gezongen, Boubasko prasniko, waarna een luisterrijke avond op zijn eind loopt met Notre soirée s’achève, ook een eigen compositie.

We noteren tussenin ook enkele instrumentale intermezzo’s op deze schijf, zoals het festieve Hasta la vista señora, waar de flamenco doorheen klinkt, het solonummer op gitaar van en door Benoit Au bord du Lac Sevan, dat verwijst naar hun intense rurale ervaringen aan dit Armeense meer, of Ishrane vertolkt op zijn beurt de Armeense impressies van Antoine, die zich hier solo uitleeft op zijn accordeon.  Stuk voor stuk vormen dit typevoorbeelden van hun heel sensitieve interpretaties, gekoppeld aan hun verfijnde arrangementen.

Samengevat is dit een album vol spontane natuurlijke en delicate muzikale kleuren, waarin de zigeunerinvloed als vaste waarde om de hoek gluurt. Diepzinnigheid en humor gaan hand in deze ruimten, waarin geïnspireerde instrumentale partijen de liederen nog beter onder de schijnwerpers brengen en een gevoel van ongebondenheid weten te versterken.