De bloedvorm van de Canadese broers Beaudry en kompanen

In 2018 viel zowel Le Vent du Nord als De Temps Antan overal in Europa (en ook daarbuiten) wel ergens te spotten. Ze vertoefden hierbij bewust nogal in elkaars buurt, nadat ze hun belofte wilden waarmaken om ook te werken aan een gezamenlijke superproductie. Een verbintenis die ze reeds in 2008 afsloten nadat ze met verschillende andere muzikanten succesvol een CBC concert realiseerden als onderdeel van het Mémoires et Racines Festival. Hun gemeenschappelijke manager Geneviève Nadeau vond het nu wel eens tijd worden.
Voor De Temps Antan kwam het tijdstip zeker gelegen gezien ze net het album Consolez-vous uitgebracht hadden. Le Vent Du Nord was ondertussen rustig aan de opbouw bezig van hun Territoires (2019). Dus nadat ze een twaalftal nummers uitgewerkt hadden, gebruik makend van traditioneel en nieuw materiaal, trokken de twee formaties op stap met hun project Solo, geresumeerd in Notre album solo (2018).
Een chronologische follow-up.

 

De Temps Antan
Consolez-vous
(LA-be, LABECD-2029)

Hoewel maar drie koppen tellend met Eric Beaudry (zang, gitaar, bouzouki, podoritmie) en David Boulanger (zang, viool, podoritmie) – beiden ook in de ploeg van La Bottine Souriante terug te vinden – naast Pierre-Luc Dupuis (zang, harmonica, accordeon, mondharp, podoritmie) klinkt dit trio uit Lanaudois (regio in Quebec) als een explosief akoestisch sextet. Helemaal verrassend is dit niet als we weten dat los van de potige instrumentale aanpak de gezamenlijke podoritmie en samenzang nooit veraf is.
Het feest barst meteen los met alle ingrediënten in een opzwepend gescat La veuve joyeuse (‘De gelukkige weduwe’), waarin een elektrische baslijn wordt neergelegd, terwijl gast André Marchand een extra stem komt toevoegen. Ook het door Dupuis geadapteerde Regret dans l’âme is er eentje waarin na een ‘brave’ trekzak-introductie behoorlijk wordt doorgefreakt, niet in het minst doordat Eric met bottleneck stevig tekeer gaat op zijn bouzouki, en een subtiel overdrive-effect het nog ietsje elektrischer doet klinken. Ook een schitterend solerend intermezzo des duivels op viool kan de luisteraar niet ontgaan.
De titelsong laat ons toe eventjes achterover te leunen bij een uiterst genietbare voor- en koorzang, waarin de Zweedse Malin Gunnarsson Thunnel zich in de finale eveneens komt mengen. Heerlijk ook de bugelaccenten van David Carbonneau in een andere ingetogen, mee door de subtiele harmonicalijntjes, jazzy ingekleurde ballade die voorts sprankelt van de subtiele harmonicalijnen, La brune habillée en soie (‘De in zijde geklede brunette’). Eigen materiaal duikt het eerst op in Projet Rett/PAC (respectievelijk van Dupuis en Boulanger). Niemand minder dan André Brunet (zie Le Vent du Nord) plaats hierbij zijn viool naast die van David.
Mondharp en viool (en het alomtegenwoordige voetenspel) vormen de inzet van Eric Beaudry’s JC-JP, terwijl Debbie Lynch-White haar parlandostem leent voor zijn Quand le jupon dépasse. Anaë toujours van Dupuis, in essentie een lichtvoetige instrumental, met heel grappige wendingen, komt een koortje wat ‘Hey’-geroep toevoegen, waarbij de eindkreet voorbehouden werd voor Anaë Dupuis.
Beaudry schreef ook nog een dromerige, melancholische, door mondharmonica en gitaar gedragen Reconsolez-vous, heel jazzy ingezongen door de hier op het voorplan tredende Malin G. Thunnel. We treffen er ook de Bretoense violist Pierre Droual (Hiks). Gastviolisten André Brunet en Simon Riopel, die zijn Reelopel uitleende aan de groep voegen in deze instrumental enkele meerstemmige laagjes toe. De uitstap uit dit degustatieve album verloopt scattend en voetstampend in een stevige set reels, met alweer een puik staaltje voor- en koorzang.

 

Le Vent Du Nord & De Temps Antan
Notre album solo
(La Compagnie du Nord, CIE001)

Viool, mondharp en voetenspel vormen de inzet van 500 Hommes-Moonbeans, waarin Nicolas Boulerice autoritair de voorzang op zich neemt om ons te leren hoe je een jongedame voor je kunt winnen, een traditional uit het repertoire van Jean-Rock Bergeron, waar Olivier Demers een staartje aan breide, geïnspireerd door de heuvels bij het Moonbeam Festival.
De toon is dan ook meteen gezet. Kolderiek gaat het eraan toe in het tragikomische Nicolas waarin Nicolas en Pierre-Luc in dialoog even de cabarettoer opgaan, uitdeinend in een stevige galop uit het repertoire van Jos Bouchard, waarbij de violen swingend alle bochten verkennen. Af en toe duikt er ook een politiek pamflet op zoals met Camarades, handelend over het Quebec van vandaag, en wat het zou kunnen worden, evenwel zonder in bestofte nostalgie te vervallen. Vooral de violen trekken ook stevig van leer in het instrumentale intermezzo Medley Brun maken we achtereenvolgens kennis met Erskine Morris’ Little boy’s reel, Le biberon vide van André Brunet en Demers’ Le reel banjoline.
Vrij ongewoon is het om een klaaglied te gaan scanderen. Het accent op de dreigende sfeer leggend doen ze dit evenwel zonder schaamte met die van ‘Rose’ Latulippe, onder een schier tribale percussie. Een groot contrast vormt dit met het op gitaren en accordeon ingeleide M’en allant chasser, mooi in een suite verpakt met het instrumentale Frères cadets, verwijzend naar de broers Brunet. Een waar intiem moment ontstaat wanne a capella Le sort des amoureux, weerklinkt een ballade die sinds 2007 tot het repertoire behoort van de broers Beaudry. De dynamiek bouwt zich vervolgens geleidelijk terug op in de aansluitende ballade La houlette, traag op gang getrokken door de mondharmonica van Pierre-Luc Dupuis, die er vervolgens zijn aardige reel Binilin Dm aan koppelde.
Soms is minder meer, wat mag blijken in hun En passant par chez vous/Les soeurs du couvant waarbij het koor de frasen van de voorzanger telkens herneemt, enkel begeleid door heel strakke podoritmie. Het tweede deel maakt trouwens deel uit van de erfenis die de Beaudry’s overgedragen kregen van hun maternale grootvader, Jean Morin. Een tweede set vibrerende reels schenken ze ons met Rive-Sud, waarin naast de piano vooral de violen terug de kroon spannen, terwijl de mondharmonica zich in de finale eveneens op het voorplan wringt. Deze trekt, samen met de bouzouki, ook de afsluitende meezinger Verse verse op gang, een nummer dat de spanningsboog naar een welluidend, ietwat weemoedig einde voert. Afscheid nemen is nu eenmaal zelden simpel. Een zoveelste staaltje van de vocale rijkdom en creativiteit die beide groepen ten toon weten te stellen.
Al bij al een eigenaardige titel voor een project met een achtkoppige bezetting zou je kunnen denken. Het antwoord hierop blijkt heel simpel. Het enthousiasme laaide immers zo hoog op dat bij ieder van hen de overtuiging heerst als solist binnen het geheel te fungeren. Eenieder trapt dan ook vol het gaspedaal in, gelukkig zonder daarbij de anderen op ook maar één manier te ontzien. De acht solisten voelen elkaar doorheen de jaren perfect aan en blijven permanent in contact en interactie met elkaar. En natuurlijk levert dit onvergetelijk muzikaal vuurwerk!

 

Le Vent Du Nord
Territoires
(Borealis, BCD258)

Voor Simon Beaudry (bouzouki, gitaar, zang), Nicolas Boulerice (draailier, piano, zang), André Brunet(viool, podoritmie, zang), Réjean Brunet (bas, melodeon, bombarde, zang) en Olivier Demers (viool, podoritmie, bomarde, gitaar, zang) kon de pret niet op. Op kousenvoeten bereidden ze eveneens een nieuw album voor, waarvoor ze zich lieten inspireren door Samuel de Champlain, de ‘ontdekker’ van wat nu Oost-Canada omvat, droomde ervan dat alle volkeren er ongeacht hun afkomst samen hun stem zouden verheffen in een harmonieus koor vanuit hun onderscheiden perspectieven, culturen en ideeën, een ietwat vergeten droom, die Le Vent du Nord bij deze nieuw leven inblaast.
Zo bezingen ze thema’s als de toestand in New France, de geleidelijke sociale veranderingen (Évolution tranquille), de ‘stille’ revolutie die leidde tot de wedergeboorte van Quebec,… en evengoed gaat het over mysterieuze monsters (in het pareltje Chaousaro) en liefdesverlangens. Een verkenning van de zoektocht naar interne en externe territoria, die samenhangen met indrukken, kleuren en sentimenten, soms gekenmerkt door extreme vreugde, soms door diep verdriet. Deze wordt meteen gedemonstreerd in de opener Le pays de Samuel, een door Nicolas geschreven ode aan de tolerantie. Die opdracht nemen ze voor zichzelf ter harte vanuit hun geëigende muzikale aanpak, zoekend naar een hedendaagse interpretatie van de traditie, zonder er de voeling mee te verliezen. Veel van de boodschappen in haast vergeten verhalen zijn nu eenmaal tijdloos, en de kunst bestaat erin die in strakke en dynamische vocale harmonieën te hertalen, vermengd met wervelende dansmelodieën. Dit metier beheersen ze meesterlijk, zich hier nog iets meer bedienend van grooves en rifjes op bouzouki en bas.
Ze lieten ook wat vaker de antwoorden achterwege in de traditionele vraag-en-antwoordgedeelten, of beperkten die hernemingen enkel voor de refreinen, tegelijk opterend voor iets meer effect op de voorzang, zoals in Le jardinier. Dit verrijkt het geheel nog met een subtiele toets. Net als in de reeds aangehaalde opener is ook in het opzwepende Adieu du village naast viool en voetenspel ook de draailier prominent aanwezig om de harmoniezang te ondersteunen. Een eerste instrumentale set treffen we in de reel Cotillon du capitaine, waarin twee oudere melodieën stevig aan elkaar gelast werden en Nicolas de kans ziet bij momenten stevig te freaken op de piano.
Een liefdeslied mag ook hier niet ontbreken en zodoende bracht Simon de groep Le soir arrive aan, waarbij de rest van de groep zich gemoedelijk terugtrekt in de begeleiding. Ook kinderen hebben de onweerstaanbare drang met territoria om te gaan en die uit te breiden, inspiratiebron voor André Brunet om met de reel Le step à Alexis de verkenningsdrang van zijn jongste zoon te evoceren. Hij tekende overigens ook voor het instrumentale (en naar het einde toe mee geneuriede) Turlute à bassinette, mijmerend over de veilige warmte van de wieg, het eerste territorium van elke sterveling. Louisbourg is een zeldzaam soldatenlied uit de Acadische traditie, dat hier in een ingenieuze polyfone a capella samenzang nieuw leven ingeblazen wordt, en de inname van de gelijknamige stad door de Britten op de Fransen evoceert. Intriest weerklinkt de ballade La mère à l’échafaud, waarin André het heel Keltisch aanvoelende La marche des haubans in wist te verweven. Net als dit nummer is ook Au régiment er eentje van George Comeau. Hier wisten ze in het frisse, niet in het minst vanuit de piano aangedreven, en mee daardoor wat jazzy klinkende arrangement, Le mistigris van de grote violist Richard Forest te verweven.
Dit magistrale album eindigt met het zacht deinend Côte-Nord waarin Olivier de anderen mee op sleeptouw neemt om te dromen van een wild, maagdelijk territorium, badend in ongefilterd licht, wadend in de stilte.