Denez Prigent – Mil Hent – Mille chemins

Mil Hent – Mille chemins
(Coop Breizh, CD 1134)

Wie kan de liefde voor zijn moedertaal poëtischer bezingen als Denez? Mil Hent (duizend wegen) vormt een ode aan het Bretoens, als een van de duizend vuurtorens, een van de duizend paden, die ons de weg wijzen naar een rijkere mensheid. Zijn stem rijgt de woorden van het volk aan die van de aarde, en verheft zich op die manier tot een universele taal, die werelden verenigt, bezwerend uitgezongen door een fragiele, bescheiden druïde, bard, passant… een wijze sjamaan.
Hij slaagt er dan ook in de tijdsbegrenzingen te overstijgen door het verre verleden naadloos te verbinden met heden en toekomst. Zijn negende album onthult een dik dozijn nieuwe composities waarin de fusionele weefsels, die akoestische instrumenten laten deinen op elektronische klankteksturen, de rode draad vormen. De intriges tussen de Schotse doedelzak (Cyrille Bonneau, ook bombarde, biniou sopraansax en veuze), qanûn en harp (Maëlle Vallet), orkestrale viool en cello (Jonathan Dour), beats en loops, gesatureerde bombarde, gitaar in open stemming, grijpen de luisteraar onverbiddelijk. Hip-hop ritmes die zich verbinden met die van de andro, de gwerz die door de straten van de Bronx dwaalt,… hij tovert het allemaal te voorschijn.
Dit album vormt dan ook een beetje een synthese van de wegen die hij tot nu toe bewandelde. Hij ging hiervoor samen aan de slag met onder meer Yann Tiersen (klavieren, viool, gitaar, contrabas), de gitarist Jean-Charles Guichen en broer Fred (diatonisch accordeon) en Ronan Le Bars op uillean pipe en low whistle. Uitstijgend boven dit alles zijn er de intensiteit van de emoties en de energie van de vibrerende stem van de fontman, die hier voor het eerst ook een lied in het Frans aanheft. Met zijn bereik van drie en een halve octaaf ontwikkelt hij steeds opnieuw een ongekende dynamiek, in resonantie met het water, de aarde, de lucht en het vuur.
Openen doet hij met een gwerz Ar groazig aour (‘Het kleine gouden kruis’), een intrieste ballade die telkens weer instrumentaal openbarst in de intermezzo’s. Grootse instrumentale arrangementen wisselen af met heel bescheiden ondesteuning, zoals bij Va Hent (‘Mijn weg’) of Hent noazh (‘Naakte weg’), twee nummers die hij samen met Tiersen schreef, en waarbij het vooral de klavieren zijn die met zijn stem interageren. Voor de klaagzang Dans la rivière courante greep hij terug naar de oude Franse melodie Infanticide, in een arrangement waarin de altsax ons kippenvel bezorgt, waarna Marc’h Eon (‘Schuimbekkend paard’) zich tot een parlando laat verleiden.
Opmerkelijk is voorts de gitan-gekleurde viool, naast de qanûn, van Al labous marzhus (‘de wonderbaarlijke vogel’) dat weer eens bewijst dat een balkankleuring van Bretoense muziek vaak een gelukkig huwelijk vormt. Intrigerend is ook zijn Ar mav gwenn (‘de witte dood’), waarbij hij in de koorzang Yvette Pochat laat aantreden met een ‘grasoú’, een half-christelijke, ter ziele gegane vorm van litaniegezang verbonden met begrafenissen. Eenmaal treedt de harp uitdrukkelijk naar voor wanneer Maëlle Vallet zich naast Denez positioneert in de begeleiding van It da lavaeret ‘n he huñvre (‘Ga het hem vertellen in zijn droom’). Voor de afsluiter Nij an erer (‘De vlucht van de arend’) drijft hij zijn stem tot de uiterste hoogten in een schitterende evocatie, waarin onder meer de duduk volledig tot zijn recht komt.
Deze ode aan de, al te vaak geschonden, sacraliteit van de natuur levert een absolute beauty op.