Dommelvolk – Nr. 100

De heropleving van het Nederlandse volkslied eind jaren zeventig van de vorige eeuw vond vooral plaats in Friesland, Limburg en Brabant. Veel groepen waren min of meer lokaal gericht, waarbij een uitnodiging om eens elders in het land te spelen als een welkome afwisseling werd begroet. Slechts weinig groepen slaagden erin zowel qua organisatie als wat betreft muzikaal niveau een professionele aanpak te realiseren. Een groep die dat zeker wel lukte was Dommelvolk.


De groep werd in 1976 opgericht door Jaap Oudesluis (gitaar, mandoline) en Bert Spin (accordeon). Zij kregen al snel versterking van Ad van Genechten (zang, gitaar). Gedrieën vulden zij één kant van de lp Dommelbeschuit. De andere zijde werd gevuld door de groep Crackerhash, die voor de -gelegenheid traditioneel Nederlands repertoire had verzameld. Oudesluis vertrok en zette zijn muzikale ambitie voort in de politieke muziekgroep Werktuig. Zijn plaats werd ingenomen door Steef Custers (viool), die ervaring had opgedaan in de groep Mangrove. Op Ptazzie (stamppot), de eerste volwaardige lp van Dommelvolk, zien we de drie heren geschaard rondom de keukentafel. Als gastmuzikant speelt Jitze Kopinga (contrabas) mee, die ook actief is (tot op de dag van vandaag) in Folkcorn. Hij zal als vast lid van Dommelvolk gaan fungeren.

In die bezetting wordt gewerkt aan het repertoire dat op de lp Nr. 100 terecht zal komen. Een van de sterkste punten van Dommelvolk is de podiumpresentatie, waarbij humor een onontbeerlijk wapen is. De vrolijke noot krijgt ook meer en meer zijn beslag in de liederen en melodieën die gespeeld worden. Om diepgravende teksten heeft Dommelvolk nooit bekend gestaan. De verdieping zit meer in de aanpak. Door bepaalde simpele dingen over te accentueren, werkt het ofwel vertederend, ofwel op de lachspieren. Daarbij komt dat Ad van Genechten een charismatische zanger is, die door de drie andere groepsleden ijzersterk met vocale harmonieën wordt ondersteund.

De eerste twee platen (anderhalf eigenlijk) werden uitgebracht bij Universe. Ontevreden-heid over de samenwerking deed Dommelvolk beslissen een eigen stichting en platenlabel op te richten onder de naam St. Anna Produkties. Bij het zien van het logo van het platenlabel wordt de humor van de groep je in een oogopslag duidelijk: de engel met de deegrol in handen geeft precies weer hoe in de volksliedjes door de hoofdpersonen gelaveerd dient te worden. Van devote aanbidding tot het oppassen voor boze reacties. Het zal overigens het enige project onder vlag van de stichting St. Anna blijken te zijn.

De titel van de lp, Nr. 100, verwijst natuurlijk naar het kleinste kamertje, waar een mens nog enigszins tot zichzelf kan komen. De voorkant van de hoes geeft de indruk dat je vanaf een ouderwetse poepdoos met hartvormige uitsparing in de deur, een blik kunt werpen op de veranderende, moderne wereld. Ongeveer de helft van de teksten heeft ook ‘het gemakken’ als onderwerp. In Dundunne gaat het inderdaad over hele dunne slappe kak, maar in de ondertoon van het lied valt kritiek te ontwaren op de ‘grote stad’ Den Bosch, waar je zelfs om te mogen schijten nog moet betalen. En wordt in het kort een typering gegeven van de dorpeling, die zich in de stad geen houding weet te geven.

Ook in het lied Den Bosch vind je een dergelijke mengeling van opkijken tegen de grote stad en het min of meer belachelijk maken van de stadsmentaliteit. Als de hoofdpersoon van het lied thuis aan z’n moeder vertelt dat hij is opgepakt door de politie van Den Bosch omdat hij in het openbaar zijn grote boodschap heeft gedaan, zegt zij dat de stadsmensen te fatsoenlijk en geleerd zijn om te moeten poepen. Om met tevredenheid vast te stellen dat zij tot in lengte van dagen van plan is het te blijven doen. In andere liederen op de lp wordt door een boer de pastoor zijn kont gekust, schiet een jager met hagel op de kont van een boer omdat hij die voor een wild varken aanziet en spat de door de boer ingebrachte prop uit het gat van de ‘aan de diarree staande’ os.

Voor de broodnodige afwisseling zijn er ook twee subtiele liefdesgeschiedenissen opgenomen. In De jager praten moeder en dochter over de mogelijke gevolgen van een vrijage en in Het koopmanszoontje doodt de rijke vader de arme dienstmaagd waar zijn zoon verliefd op is. Als deze vervolgens van verdriet sterft, slaat de vader de hand aan zichzelf. Een bijzondere verrassing is dan nog het door van Genechten gecomponeerde instrumentaaltje Achter de gebreide broek/Ik wil mijn fiets terug, dat van uitzonderlijke kwaliteit is. Voor het sluitstuk van de lp, Holadijee, werd de hulp ingeroepen van de blaaskapel Sint Anna uit Best. De spontaniteit die uit deze opname naar voren komt zorgt ervoor dat je met een glimlach de arm van de draaitafel terug ziet gaan naar de beginstand.

Op cd is Nr. 100 niet verkrijgbaar. Wel bracht Clipsound in 1993 een verzamel-cd uit van Dommelvolk onder de titel Brabantse volksmuziek vol. 1. Daarop staan tien van de dertien tracks van Nr. 100 (maar ontbreken essentiële nummers zoals het zojuist genoemde instrumentaaltje en het lied Den Bosch), aangevuld met materiaal van de vierde en laatste Dommelvolk lp Van m’n Kempenland. Op die plaat had de humor zoveel de overhand gekregen, dat het liedmateriaal eronder zuchtte. Niet lang daarna zette Dommelvolk een punt achter de carrière, moe van het vele reizen en optreden. Om begin 2000 voorzichtig de draad weer op te pikken en alleen nog te spelen voor het plezier. Dat lijkt me een uitstekend criterium.

© Dit artikel verscheen in de serie Het meesterwerk in New Folk Sounds 100, augustus/septermber 2005 en wordt nu gepubliceerd in het kader van de folkcanon