Duo Macke-Bornauw – Curly music

Curly Music
(Compagnie Macke-Bornauw, MB04, www.macke-bornauw.com)

Met It’s baroque to my ears! (2016) sloeg het koppel Birgit Bornauw (barokmusette, doedelzak) en Benjamin Macke (diatonisch accordeon, voetbas) reeds een plechtstatige, serene en vooral ook solide ‘lucht’brug tussen tenoren uit de barokgeschiedenis en de (neo)traditionele muziek.
Op hun kersverse album Curly music diepen ze – puur op lucht – dit concept verder uit, met een nieuwe sprankelende bloemlezing waarin traditionele en barokmuziek zich vermengen met hedendaagse composities. Niet zo ver gezocht als we weten dat 18e eeuwse ‘klassieke’ componisten zich maar al te graag lieten inspireren door volkse thema’s. Hoe zij de – soms als een orgel weerklinkende – trekzak onthaald zouden hebben vormt voor Benjamin de ultieme uitdaging. De bourdons die uit zijn voetbas weerklinken, helpen hem alvast een eind op weg om een barokke basso continuo toe te voegen.
Arrangementen waarin vlot gewisseld wordt tussen de stemmen, melodie en begeleiding en waarin ruimte geschapen wordt om variaties in te bouwen, worden een echte streling voor het oor. De vlam slaat meteen in de pan met een swingende reel uit Northumberland Jacky Layton (1734) die sterk contrasteert met Handel’s intrieste Sarabande dat een jaar eerder neergeschreven werd, of het tragische Rondeau (1692) van Purcell, nu voor eeuwig gekoppeld aan een Waals Menuet.
Eerder doen we onze contreien aan met het Waalse, vooral door de musette gedragen N°84, dat vast geklit wordt aan een Polonaise van 19e eeuwse Nederlandse signatuur. Beklijvend is onder meer het voorspel op hun prikkelende versie van l’Ordre Thérésien. Ook Chédeville’s Les singes verts klinkt alles behalve oubollig. Virtuoos is Macke’s Contrechant, dat deel uitmaakt van de set La Furstemberg en niet van muzikale humor gespeend is het exotische l’Arrivée de la reine de la samba, waarvoor hij zich liet inspireren door Händel, en dit projecteert naar ragtimesferen.
Het oudste nummer is Stort tranen uyt (1584) van Adrianus Valerius, waarin de Vlaamse doedelzak grotendeels soleert, en trekzak en voetbas zich heel geleidelijk in crescendo mee in de debatten mengen. Verbluffend is het voorts hoe ze Eleen Ivers Pachelbel’s frolics (1994) naadloos weten vast te weven aan het Vlaamse beiaardlied Trilt de boer (1781).
Dit instrumentale festijn van zowat één uur sluit af met een ander eigentijdse compositie, frivool ingezet op de barokmusette, met name Guido Piccard’s Swing scottish (1997).