Fränder – Fränder / Järventaus & Dluzewski – Jorden Svart

Fränder
(Nordic Notes NN124)

I’ts all in the family bij deze twee producties. Fränder wordt gevormd door de Zweedse broers en zussen Daniel (contrabas, zang), Gabbi (mandoline, bouzouki, zang) en Natasja Dluzewski (fiddle, zang) met de Estse fluitiste en zangeres Säde Tatar. Gabbi vormt dan met zangeres Maria Järventaus Johansson het duo, waarbij Daniel als gastmusicus optreedt. Fränder opent met een weergaloze versie van de bekende Herr Olaf ballad, hier Alvefärd geheten.
Wat direct opvalt is het energieke, de pit, de passie, de expressie in de muziek en de voortreffelijke, soms vierstemmige, zang. Een vergelijking met het legendarische Folk Och Rakare dringt zich op. Het schitterende Isen som brasti i skratt is een voorbeeld van hoe je met dynamiek dient om te gaan. Het repetitieve motief en de wijze van structureren doen denken aan het Engelse Spiro.
Dat geldt ook voor de aanpak van de songs en tunes. Hoofdzakelijk eigen composities, met hier en daar een traditionele tekst, maar vooral flarden traditionele melodieën of invloeden daaruit verwerkt tot nieuwe werkstukken. Fränder wisselt qua stijl veelvuldig af: van trage en meeslepende ballades naar vlotte, krachtige en opgewekte liederen tot diverse dansen als polkas, walsen, tunes in een 5 kwartsmaat etc.
Uitermate sterk zijn ze in het gebruik van ritmeaccenten, breaks e.d. Van de meeste liederen staat de Zweedse of Estse tekst afgedrukt naast een Engelse vertaling. Niet echter van een van de mooiste liederen, het melodramatische En sjömansbrud. Dat juist bij een van de allerbeste uitgaven van de laatste tijd in de hoestekst zowel als de bijsluiter storende foutjes geslopen zijn moet je bij het anders zo gedetailleerde en zorgvuldige Nordic Notes maar voor lief nemen.

Jorden Svart
(Nordic Notes 125)

Jorden Svart (zwarte aarde) is geconcentreerd rond liederen en tunes uit het Noordelijke Norbotten, een provincie in Zweden die grenst aan Lapland. De liederen bevatten de gebruikelijke dagelijkse kommer en kwel, zorgen en vreugde van de samenleving in deze streek. De afwisselende thematiek gaat gepaard met eveneens gevarieerde muzikale omlijsting. Vrolijke deunen wisselen zich af met verstilde, haast meditatieve klanken. Het is een verdienste van Gabbi Dluzewski die alles uit het instrument haalt. Soms sprankelend en lichtvoetig, dan weer dreigend en krachtig vol.
Dat geldt ook voor de vocalen van Järventaus; de ene keer fluisterend, de andere keer flink dynamisch uithalend. Haller Kvar is een fraai voorbeeld: staccato gepingel op de mandola mondt uit in krachtige volle akkoorden, de stem varieert van haast declamerend naar schreeuwend. Je verwacht een joik, maar weest gerust, die komt niet.
Het merendeel zijn bestaande overgeleverde liederen, soms aangevuld en een enkele keer geheel nieuw geschreven door het duo. Opmerkelijk is het slotlied Svartaste korpen, waarbij je het idee krijgt dat de melodie wel heel bekend voorkomt. Het is een Zweedse vertaling van de Amerikaanse traditional The Black crow.
Daniel Dluzewski assisteert onder meer in de jazzy wals Hur vackert är det ej ett se op contrabas. Hij neemt, evenals bij Fränder -gedeeltelijk- de productie van de voortreffelijk opgenomen albums voor zijn rekening.