Gainsbourg – Een boek van Rudolf Hecke

EPOU_12_gainsbourg kaft.inddRuim twintig jaar na de dood van chansonnier en provocateur Serge Gainsbourg verscheen bij uitgeverij EPO een eerste in het Nederlands geschreven biografie, geïllustreerd met foto’s van Herman Selleslags. De auteur is de Vlaamse muzikant Rudolf Hecke. Hij schreef het vanuit zijn grote passie en aanbidding voor de artiest. Hij beschrijft zijn eigen ervaringen bij optredens van Gainsbourg en laat ook meerdere anderen aan het woord. Voor wie geen Franse biografieën of andere boeken over Gainsbourg las, is dit een bijzonder welgekomen uitgave. Ondanks de vele opmerkingen die ik bij dit boek kan maken, kan ik het ten zeerste aanbevelen aan wie in het Franse chanson in het algemeen en aan Gainsbourg in het bijzonder geïnteresseerd is. De auteur is vol bewondering voor de artiest en dat steekt hij niet weg. Soms neigt zijn vaak bombastische schrijfstijl naar het lachwekkende, zoals bij het beschrijven van zijn bezoek, samen met zijn vriendin, aan het graf van Gainsbourg op het kerkhof van Montparnasse. Ook meerdere foto’s van de auteur zelf voor de gevel met graffiti van Gainbourgs woning in de rue de Verneuil te Parijs, bij het graf of in het hotel waar Gainsbourg, opkijkend naar de trap, de ‘eindeloze benen’ van Jane Birkin ‘in een niets aan de verbeelding overlatende minirok’ kon gadeslaan. Ondanks deze idolatrie voor zijn onderwerp is het boek geen hagiografie geworden. Hecke beschrijft heel chronologisch en goed gedocumenteerd het onwaarschijnlijk verrassend en boeiend leven van Gainsbourg. Als muzikant plaatst hij de muzikale evolutie van de man in perspectief met andere muzikanten uit zijn tijd. Alleen de periode van Gainsbourgs eerste lp’s, zeg maar de tien jaar voor het wereldsuccesnummer Je t’aime … moi non plus, wordt mijns inziens wat te negatief beoordeeld. Het succes van een zanger was in die jaren niet zozeer te meten aan het verkoopcijfer van fonoplaten maar eerder aan de verkoop van muziekblaadjes en het vertolkt worden door andere artiesten. Wat dat betreft had de beginnende chansonnier niet te klagen. In de periode tussen 1958 en 1962 werden nummers van hem al door een twintigtal andere artiesten gezongen of instrumentaal vertolkt. Weinig chansonniers kenden zo’n onmiddellijk succes. Natuurlijk komen de vele liefdes van deze man vol complexen over zijn uiterlijk ook uitvoerig aan bod. Hecke sleept de lezer mee in de vele dolle avonturen van Gainsbourg. Ondermeer de passionele romance met Brigitte Bardot, voor wie Gainsbourg Je t’aime…moi non plus schreef, wordt beschreven als was de schrijver er zelf bij. Ondanks de niet steeds aangename stijl van Hecke laat dat levensverhaal zich lezen als een trein. Daarom betreur ik het des te meer dat het boek nogal wat slordigheden bevat. Bij een herdruk zou een corrector, liefst met kennis van het Frans, zich best nog eens over de tekst buigen. Ik wil hem hierbij al wat helpen: Catherine Deneuve, correct geschreven in het voorwoord van Rick De Leeuw, wordt het hele boek door verkeerdelijk als Cathérine, met accent, gespeld; ook Catherine Ringer hoefde geen accent te krijgen; de Franse tv-icoon, Denise Glaser wordt enkele bladzijden verder Glazer en heet in de index van persoonsnamen plots Dominique; de stad Lisieux, verder in het boek terecht in Normandië gesitueerd, is op pagina 140 een dorpje in Bretagne. Maar kijk als lezer over zulke onnauwkeurigheden heen en je zal een boeiend verhaal lezen dat de mens, de muzikant, de cineast, de schilder en de provocateur en schandaalschopper Gainsbourg ten voeten uit beschrijft. Ik herhaal het: ik wil, ondanks alles, het boek aan alle chansonliefhebbers ten zeerste aanbevelen.