Galley Head – Ver(r)oester(t) since 78

Ver(r)oester(t) since 78
(eigen beheer, www.galleyhead.be)

Het zou wat vooringenomen kunnen klinken wanneer een groep beweert dat ze er na veertig jaar nog altijd veel goesting hebben in het vertalen van noten naar muziek. Welnu, hun feestelijke album gunt hen het grote gelijk. Dit sextet, met Marc Stoffels (doedelzak, fluit), Koen Rens (viool, gitaar), Jan Thys (gitaar, mandola, percussie, zang), Wim Proost (accordeon, gitaar, citer), Dirk Dresselaers (viool) en Lej Sommen (basgitaar, gitaar, zang) ontleent zijn naam aan het gelijknamige Zuid-Ierse stekje waar hun liefde voor de Keltische muziek ontvlamde.
Dit betekent helemaal niet dat ze zich muzikaal verankerd hebben in deze regio. Hun uitdaging bestaat erin om vanuit hun instrumentatie een heel eigen interpretatie te verzorgen van heel diverse nummers die ze sprokkelen uit verschillende Europese tradities, terwijl ze een enkele keer ook oversteken naar Canada. Soms plukken ze die uit de traditie, zoals in de opener, de Galicisch/Asturische set Aires de Pontevedra – Muineira de casu, kleppers die ook door Milladoiro, Carlos Nunez een interpretatie kregen. Ze hebben het echt wel voor de ‘Spaanse jigs’, getuige ook nog hun aanbrengen van de evergreen en standaard Muiniera de chantade.
Vaak snuffelen ze ook in geschreven materiaal, bijvoorbeeld wanneer ze De grote trottinet van Jos Verheyen, die hier als gastmuzikant een toets trompet toevoegt, oppikken. Heerlijk is hun versie van Le bon docteur, een wat stugge wals in vijf tijden van het Franse doedelzakensemble Avalanche Compagnie. Ze trekken evenwel ook naar Zweden, met een ongemeen mooie, ingetogen, trage Polska I moll van de Zweedse violiste Eiwor Kjellberg.
Naar Schotland gaat het vervolgens waar ze het – voor Schotse highlanddoedelzak althans wat atypische – Sleeping tune van Gordon Duncan oppikten, een innig mooie orenkruiper die tot het collectief bewustzijn is gaan behoren. En ook met de Ookpik waltz van de Canadese Violist Frankie Rodgers, verwijzend naar het Inuktitut-woord voor ‘Sneeuwuil’ vertoeven we in meer introspectieve sferen. Van het Edinburghse Shooglenifty leerden ze Laureen’s tune kennen, dat ons de verschillende kantjes, inclusief de plechtstatige, het vrouwenrijk in herinnering brengt. Iets groezeliger, hoe kan het anders, gaat het eraan toe in het Canadese Whiskey before breakfast.
Vervolgens is er ineens de verschijning van zangeres Jes Proost die ons achterover weet te blazen met haar – mee door de trompet gedragen – heel fragiele en louterende versie van Le vent nous portera van Noir Désir, waarna ze zich nog even doordrukt in Marc Hauman’s Water. Ongekend mooi is ook Lynx linx van de Zweed Vidar Skrede. En vergeet niet La chapka van Le Gop aan te passen, een zachte bontmuts die oorwarmte garandeert, in een heel zacht besnaarde interpretatie. Afsluiten doen ze met een nummer van eigen huis, geschreven door Koen Rens. Gellie hèt mate vormde de titel van hun vorige cd, ook al vond het er toen geen plaatsje op, doordrongen van melancholische mijmeringen, maar het vizier ook richtend op de toekomst. De komende veertig jaar hopen we samen met hen.
Kortom, ze spelen op een heel solide basis een breed palet aan nummers waar ze zelf goesting in hebben, en zo mag het zijn, op het podium en zeker ook op een album.