Hamon Martin Quintet – Clameurs

Clameurs
(Coop Breizh, CD1162)

Met dit zesde album bevestigt ‘HMQ’ andermaal hun emblematische twintig jaar oude muzikale parcours, waarin ze hun verbondenheid met de danstraditie uit Haute-Bretagne nooit verloochenen. Ook hier blijven ze trouw, ondanks de diverse vruchtbare muzikale invloeden uit de jazz, Arabische muziek. Hun legering van zang, via de krachtige, expressieve stem van Mathieu Hamon (hier regelmatig in duet met gastzangeres Rosemary Standley) en de brede instrumentatie is daar niet vreemd aan. Deze laatste wordt gedragen door Erwan Hamon (houten dwarsfluit, bombarde), Janick Martin (diatonisch accordeon), Ronan Pellen (cister, cello) en Erwan Volant (contrabas). Andere gasten zijn Raphael Chevé (drums) en Julien Padovani (Philicorda, Fender Rhodes, Syntorchestra Farsifa).
Ze schrijven een nieuw hoofdstuk in de hedendaagse Franse folk, met een mengeling van traditionele nummers, naast eigen interpretaties van klassiekers uit het chanson en hedendaags werk. Een muzikale cultuur die tot het collectief geheugen behoort, en toch dreigt verloren te gaan. Zo treden ze verder in de voetsporen van heel wat muzikanten uit de jaren zestig die als stichters van de toenmalige folkrevival gelden. Hun discours ligt trouwens ook binnen diezelfde lijn, een sterke maatschappelijke betrokkenheid verradend, waarbij maatschappelijke problemen niet uit de weg gegaan worden.
Geopend wordt met een indringende parlando interpretatie van Les croisades (‘De kruisvaarten’) van de enigmatische in ’96 overleden Bretoense bard Glenmor. Eén van zijn navolgers, Sylvain ‘GirO’ Girault schreef speciaal voor dit project La vénéneuse en Cerises d’amour. Ook hier weerklinkt scherpe vredesretoriek die we andermaal terugvinden in het (door Leonard Cohen) tot evergreen verheven La complainte du partisan van Emmanuel d’Astier de la Vigerie op muziek van Anna Marly. Deze versie in duet gezongen door Hamon en Rosemary Standley moet echt niet onderdoen voor deze van Cohen.
Maar ook standaards uit de traditie, zoals het eveneens in duet gezongen ballade La blanche biche (dat vroeger reeds de aandacht trok van groepen als Malicorne en Tri Yann) en La perdrix blanche krijgen hier een nieuwe passende outfit aangemeten. Een ander hoogtepunt vormt hun sobere, door oriëntaalse ritmiek en fluit ingekleurde interpretatie van Gilles Vigneault’s J’ai planté un chêne. Ad rem is ook de bombardebegeleiding op La chanson de Craonne, een lied dat zijn anonieme ontstaan kende in de loopgraven tijdens de eerste wereldoorlog. Ook kan de dreigende sfeer die uitgaat van Brigitte Fontaine’s Brin d’herbe de luisteraar onmogelijk ontgaan. Met de traditional M’en revenant des noces stappen we even in de zuivere festnoz sfeer. In Nos vingt ans krijgt een gedicht van de libertijnse schrijver en zanger Gaston Couté (1880-1911) opnieuw aandacht, naast recentere grootmeesters van het chanson zoals Charles Trenet (Renaud, renaud) en de in vrolijke noot afsluitende Georges Brassens (La route aux quatre chansons).
Absolute hoogtepunten worden gevormd door het door Hamon en Girault geschreven en door Ronan Pellen op muziek gezette Sous le vent de la Palestine, gekenmerkt door een sterke instrumentaal arrangement dat Bretoense en jazzelementen verenigt, en hun sombere L’amertume. Een fel contrast met het vooral door accordeon gedragen Le vieux mendiant van Paul Fort.
Twintig jaar met plezier samenspelen levert een onvergetelijk album op waarin flirtend gebalanceerd wordt tussen de dansmuziek uit Haute Bretagne en talrijke andere vruchtbare muzikale invloeden uit jazz, chanson, Arabische muziek. Een met de jaren gerijpt recept gedragen door de stem van Hamon, melodisch vooral ondersteund door diatonisch accordeon, bombarde en houten dwarsfluit, naast de onvervangbare ritmiek en de vaak briljante harmonieën vanuit cister en bas.