Hans Frederik Jacobsen – Øre

Øre
(Heilo, Pias, HCD 7333)

Dit album van de Noor Hans Fredrik Jacobsen (fluiten, gitaren, oud, sopraansaxofoon, ramshoorn, Zweedse doedelzak, kantele en zang) beschouwt hijzelf als een hommage aan het ‘oor’, het belangrijkste orgaan voor de muzikant, en de luisteraar. Spelen op het gehoor staat dan ook centraal op dit vierde solo-album. Vanuit het solospel, waar de muzikant volledig gericht is op zichzelf, in een soms totaal introspectief spectrum, wordt het des te boeiender om de dialoog (terug) aan te gaan met andere muzikanten en instrumenten.
Voor dit project trok hij dan ook Tone (harp en harmonium), Alf (tangenten, mondharmonica en altsaxofoon) en Hans Hulbækmo (trommen) aan, naast Fjermund Silset (contrabas), André Roligheten (baritonsaxofoon) en Karl Hjalmar Nyberg (tenorsaxofoon) voor enkele professionele jams die een mooie afwisseling bieden met de solistische momenten. Met hen schildert hij zeventien portretten, de meeste van eigen hand.
Hierbij ligt zijn ambitie in het promoten van muziek als een taal, waarbij improviseren lijkt op een conversatie die je nooit eerder had. Katt og Mus vormt daar een uitgelezen staaltje van, in zekere zin een zuivere improvisatie. Het oor kan hen hierbij leiden op ongewone tochten, waarbij je soms intuïtief naar registers grijpt, zonder dat je achteraf rationeel kunt vatten waarom je ernaar greep. Voor hem een bron van eindeloze fascinatie, waar hij ons in wenst te laten delen. Zijn insteek hierbij is zonder discussie de traditionele muziek, zoals reeds blijkt uit de opener.
Daarnaast zoekt hij verbindingen te leggen met jazz (Rett fra levra), pop, world, blues en de wereld van de klassieke muziek (het barokke Klar dag op tenorblokfluit bijvoorbeeld). Hij waagt zich – trouwens ook op virtuoze wijze – op de seljefløte (Noorse wilgenfluit) waarmee hij soleert in Seljedans en Springdans etter Halgrim Melås. Met de Jotunfløte laat hij ons verder kennismaken in Ankerhalling. Een religieus volkslied vormt de ondergrond voor Nu flyer jeg til min nåde waarbij hij sereen op metaalfluit soleert met de harp (een combinatie die ook het speelse Snipp Snapp Snute draagt), voorts omringt door een subtiele, maar virtuoze ritmesectie. Verbluffend is voorts wat hij uit een ramshoorn tovert, solerend in Bukk.
Feest is het dan weer voor de familie saxofoon op Søndagspolsen/Luren Pols, terwijl we wat verder een dansje van harmonium en metaalfluit in het visier krijgen, om vervolgens via de whistle een uitstapje naar Ierland te maken. Een Oriëntaalse atmosfeer weerklinkt vanuit zijn fluitenspel op Flyvesand, die combinerend met zijn gitaar. Alles wijst er dus op dat de realisatie van dit album uiteindelijk maar mogelijk was door het hanteren van verschillende opnamesporen. Op zich een huzarenstukje lijkt me. Voor het afsluitende nummer Sang på elva gaat hij trouwens helemaal alleen aan de slag om gitaar, kantele, metaalfluit en zang keurig aan elkaar te verlijmen.
Allemaal boeiende muzikale schilderijtjes zijn het geworden, waarbij enkel een gebrek aan coherentie wat afbreuk doet aan het geheel.