Het Burg Waldeck Festival: de moeder der Europese folkfestivals

Er was eens…….Het Burg Waldeck Festival

Van 1964 tot 1969 vonden in het Duitse Hunsrück middengebergte (Rheinland Pfalz) zes muziekfestivals plaats. Het waren de allereerste openluchtfestivals in Duitsland. Ze boden een belangrijk podium aan internationale folk en chanson. Het belang van dit initiatief voor de verdere ontwikkeling van deze genres in Duistland kan moeilijk overschat worden. Veel artiesten en deelnemers denken er met nostalgie aan terug. Twee uitgaven, een dubbelcd uit 2007 en een lijvig boek met tien bijhorende cd’s uit 2008 geven een mooi en interessant beeld van deze Burg Waldeck Festivals. De tijdsgeest waarin jongeren over heel Europa anders gingen denken en ageren dan de generatie van hun ouders die nog Wereldoorlog II meemaakten, bepaalde mede de sfeer op die festivals. En dat is te lezen en te horen in deze uitgaven.

De voorgeschiedenis

In het prachtige landschap tussen Moezel en Rijn staat de ruïne van Burg Waldeck. De jeugdvereniging Nerother Wandervögel startte in 1922 met het oprichten van paviljoenen voor jeugdontmoetingen en kampen. Het werd een centrum van muziekbeleving. Duitse en vreemde volksliederen werden er graag gezongen. De voor de oorlog opgerichte vereniging Arbeitsgemeinschaft Burg Waldeck e.V. (ABW) nam, na Wereldoorlog II, op Burg Waldeck initiatieven voor musische vorming. Vanaf halfweg de jaren ’50, de oorlog was nog maar tien jaar voorbij, vonden er veel werkgroepen rond theater en muziek plaats. Het was ook de periode waarin jeugdtoerisme via jeugdherbergen een ontwikkeling nam. Vanuit Burg Waldeck werden reizen georganiseerd naar verre landen waar nieuwe muziek werd ontdekt die men bij thuiskomst wilde doorgeven aan elkaar.

De AWB en de Nerother Wandervögel vormden twee uiteenlopende richtingen op Burg Waldeck. Speelde de ABW in op de moderne ontwikkeling van jeugdvorming, de Wandervögel wilden erg traditioneel verder werken, met heimwee naar de Weimarperiode. Deze onenigheid op hetzelfde domein heeft mede een rol gespeeld in het verdwijnen van het festival. Een studentenwerkgroep lanceerde in 1963 het idee om een Festival rond Folk en Chanson te organiseren. In zo een afgelegen gebied met weinig voorzieningen als water en elektriciteit was dat verre van vanzelfsprekend, maar de ABW stemde in met het voorstel op voorwaarde dat de studenten voor het vele materiële voorbereidend werk zouden instaan.

Een vraag die deze jonge Duitsers zich stelden was: “Waarom kent de Duitse muziekscène geen Georges Brassens of Pete Seeger, geen Joan Baez of Yves Montand?” Belangrijke mede-initiatiefnemers waren de zangers Peter Rohland en de tweelingbroers Hein & Oss Kröher. Rohland kan als zanger en volksliedvorser beschouwd worden als de grondlegger van de folkrevival in Duitsland. Al in de vroege jaren ’60 wist hij als Duitser ook het Jiddische lied uit de vergetelheid te halen. Zonder hem hadden we misschien geen Zupfgeigenhansel of Liederjan gekend. Hein & Oss vertolkten sociale volksliederen, liederen uit het volk ontstaan. De artiesten die op de festivals zouden optreden werden niet betaald. Het zou voor de optredende muzikanten een springplank zijn naar bekendheid, ook via radio- en televisieuitzendingen, en mogelijks ook naar een platencontract. Al van in het begin wekten de Burg Waldeck Festivals inderdaad veel belangstelling bij de media en de platenuitgevers, zelfs bij het grote Polydor.

Vijf festivals “Chanson-Folklore-International”

Het eerste festival, tijdens de Pinksterdagen van 1964, lokte 350 à 400 bezoekers. Er waren vooral traditionele liederen te horen met zangers als Peter Rohland, Oss Kröher en Hay & Topsy uit Zweden, ook bekend van hun vertolkingen van Jiddische liederen. Belangrijk was ook dat nieuwe Duitse chansonniers er hun entree maakten: Franz Josef Degenhardt, Reinhard Mey, Dieter Süverkrüp. Wolf Biermann mocht Oost-Duitsland niet verlaten, maar zijn lied Ballade von Briefträger Wiliam M. Moore, vertolkt door Fasia Jansen, werd tot populairste lied van het festival verkozen.

Tijdens de Pinksterdagen van 1965 werd het festival meer internationaal: zangers uit Spanje, Italië, Canada, Engeland, Israël waren er. Enkele namen maar: Colin Wilkie, Shirley Hart, John Pearse, Perry Friedman, Aviva Semadar. En een belangrijke nieuwe Duitser, Walter Mossmann, introduceerde er de elektrische gitaar in het Duitse chanson.

In 1966 deed chansonnier Hannes Wader zijn intrede en aan de ondertitel van het festival, ‘Jonge Europeanen zingen’, werd nog meer recht gedaan. Zo waren er ondermeer ook te horen: Terry Gould uit Engeland, René Zosso uit Zwitserland, Fausto Amodei uit Italië, de Belg Julos Beaucarne en de Nederlander Rein Dool. Het spreekt vanzelf dat in die tijd veel protestliederen, ondermeer geïnspireerd door de Vietnamoorlog, vanaf het eerste festival te horen waren op Burg Waldeck. In 1964 zong Süverkrüp een Duitse vertaling van Vians Le Déserteur. In 1965 klonk er We shall overcome en Degenhardt staat om zijn politieke liederen bekend. Na het festivalweekend volgde nog een ‘Folksong-Woche’ met werkateliers.

Het festival van 1967, waar ook Coby Schreijer optrad, begeleid door Dick Poons, ging onder de titel ‘Das engagierte Lied’ en vormde duidelijk een hoogtepunt in de reeks. Het aantal bezoekers was zowat vertienvoudigd. Maar klonk er protest in de liederen, vanuit bepaalde kringen was er ook protest tegen de liederen te horen. Tegenstand vanuit traditionele hoek en kerkelijke kringen was bekend. Een rechtszaak, aangespannen door de Wandervögel, over het eigendomsrecht van het domein en het vernietigen van autobanden, elektriciteits- en geluidskabels maakten het de organisatoren moeilijk. Maar uit extreem linkse hoek kwamen protesten tegen artiesten die, naar hun oordeel, onvoldoende geëngageerd waren. Met Vietcong-vlaggen palmden ze een podium in en wilden vooral discussiëren. “Zet de gitaren aan de kant en discussieer” was hun motto. Ook de organisatoren werden laksheid en zelfs medewerking met fascistoïde kringen verweten. Hoofdorganisator Jürgen Kahle moest zich voor een ter plekke opgerichte ‘volksrechtbank’ verantwoorden. Hij had onder andere met de generaal van de naburige Amerikaanse luchtmachtbasis een akkoord gesloten om tijdens de festivaldagen geen straaljagervluchten meer uit te voeren. Als dat geen linkse doodzonde was! Kahle hield het na dat 1967 festival voor bekeken en trok zich als organisator terug.

 

 

Het verloop van het festival in 1968 werd mede beïnvloed door het neerschieten in 1967 van de student Benno Ohnesorg, de aanslag op Rudi Dutschke in april 1968, de studentenrevoltes en de Mei ’68 beweging in Frankrijk. Extreem linkse jongeren, ondermeer uit de buitenparlementaire oppositiebeweging richtten de ‘Basisgruppe Waldeck-Festival’ op en eisten veel meer discussie over de inhoud van de liederen. Liederen van Reinhard Mey en van Hanns Dieter Hüsch waren naar hun oordeel te poëtisch, hadden onvoldoende politieke inhoud. Daarom werden hun optredens verstoord. Mey werd zelfs van het podium weggedragen. De aanwezigheid van de Amerikaanse protestzangers Guy Carawan, Phil Ochs en Odetta daarentegen werd toegejuicht. Rolf Gekeler, die Kahle opvolgde, had die artiesten op het Newport Festival 1967 voor Burg Waldeck warm kunnen maken. Maar discussie werd belangrijker geacht dan muziek. De ziel van de Burg Waldeck Festivals werd er kapot gediscussieerd. Ondanks de meer dan 4000 bezoekers – teveel eigenlijk voor het domein – en de ruim 51 artiesten veroorzaakte 1968 de ondergang van het festival. Het festival van 1969, dat niet meer door ABW maar door een Projektgroep werd georganiseerd en pas in september plaatsvond, werd het laatste in de rij. Praten en innemen van standpunten over muziek waren nu het belangrijkste voor de nog 2000 bezoekers. Op de affiches was het woord ‘festival’ verdwenen. Er stond nu ondermeer: workshops, szenen, referaten, konzerten …Het hoofdthema was ‘Gegenkultur’. De mooie festivaltijd op Burg Waldeck was nu voltooid verleden tijd.

Burg Waldeck blijft een oord van kunstopvoeding. Daar zijn geregeld nog prachtige concerten te horen. Er worden ook Liederfeste georganiseerd maar de sfeer van de festivalperiode wordt niet meer bereikt. Sinds 2000 vindt er jaarlijks in de herfst ook de ‘Peter-Rohland-Singewettstreit’ plaats. Rohland, die mee aan de basis stond van de festivals had slechts tweemaal kunnen deelnemen. In de lente van 1966 stierf hij. Hij was pas drieëndertig. Een wedstrijd die zijn naam draagt is een gepast eerbetoon aan deze pionier.

Een dubbel-cd en een boek met tien bijhorende cd’s.

Als herinnering aan de Burg Waldeck festivals, die van historisch belang zijn geweest in de ontwikkeling van de muziekcultuur in Duitsland, kan men zich cd’s en een boek aanschaffen. Het zijn bijzonder interssante uitgaven. In het boek zijn referaten van organisatoren en kritische deelnemers te lezen. Illustraties zijn er in overvloed. Erg interessant zijn de 110 pagina’s waarin alle artiesten die er in die zes jaar optraden, voorgesteld worden, de ene natuurlijk uitgebreider dan de andere. Tussendoor lees je ook persoonlijke herinneringen van muzikanten. Uit het erg omvangrijke klankmateriaal werd een keuze gemaakt. Omwille van de klankkwaliteit, toch wel belangrijk bij het beluisteren van muziek, ontbreken volgens de samensteller van de tien toegevoegde cd’s enkele belangrijke liederen en artiesten. Niettemin geven de bijna 15 uur klank een beeld van wat en hoe er gezongen werd in deze pionierstijd van Folk en Chanson. De afzonderlijk uitgebrachte dubbelcd met enkel opnames van het festival 1967 is ook de moeite waard, al was het maar om Aleksander Kulisiewicz, een Pools journalist die het nazikamp overleefde, Die Moorsoldaten te horen zingen.

Detaillijsten met de inhoud van deze cd’s zijn te vinden op de respectievelijke websites.

De franstalige Belg Julos Beaucarne (zie NFS 106), die op Burg Waldeck optrad in 1966 en 1967, heeft beste herinneringen aan deze festivals. Als hij er over spreekt hoor je meermaals de woorden ‚formidable’ en ‚fantastique’. Blijkbaar niet bij de rellen betrokken in 1967 herinnert hij zich vooral de zeer gemoedelijke en vredelievende sfeer onder de deelnemers. Wat hem vooral verraste was de grote aandacht voor zijn franstalige chansons. Uit de reacties bleek duidelijk dat ze zijn liederen begrepen.

Hij ontmoette er ondermeer mensen uit Italië die hem de kans gaven op te treden op een festival in Turijn. Met het weinige Duits dat hij leerde tijdens naoorlogse studentenkampen in Oost-Duitsland om kerken en huizen herop te bouwen, had hij contact met enkele Duitse collega-zangers.

Door zijn optreden op Burg Waldeck werd hij ook naar Berlijn uitgenodigd voor een programma op de nationale televisiezender en kon hij ook een reeks kleinere concerten geven in Duitse steden voor ‚Club Voltaire’. Dat is een vereniging van Fransminnende Duitsers, die in meerder steden een afdeling heeft. Beaucarne was ook een van de zangers op het slotconcert van de Internationale Essener Songtage 1968 in de Essense schouwburg. Tenslotte verscheen er op het Duitse Da Camera label de lp Julos chante Julos. „Ja“, zegt Julos „ aan Burg Waldeck houd ik de beste herinneringen over“.