Het ultieme muzikale testament van Yann-Fañch Kemener (7/4/1957-16/3/2019): Roudennoù/Traces.

Roudenoù/Traces
(Buda musique, Xango, 771 5525)

Op zaterdag 16 maart 2019 kwam ons het trieste bericht tegemoet dat één van de grootste Bretoense zangers naast Alan Stivell en Denez Prigent na een slepende ziekte op 61-jarige leeftijd het tijdelijke voor het eeuwige wisselde. Yann-Fañch Kemener (onder meer gekend van Barzaz) had net weer een nieuw album uitgebracht (hij bleef de voorbije jaren behoorlijk productief) dat hijzelf als een eerbetoon aan de Bretoense poëzie beschouwde.
Het werd een heel sober album, waarin hij zijn 45-jarige carrière vol ontdekkingen, ontmoetingen en creativiteit wist samen te vatten. Die volksgedichten, ooit mondeling overgeleverd en uitgeademd via de lippen van boeren, werklui, pelgrims… En doorheen de tijd gepolijst en soms ook verzacht. Daarna traden we in tijden waar schrijvers de aandacht trokken op hun heden, nieuwe horizonten openbrekend, lyrisch, sarcastisch, soms ook mystiek. Dit uitgangspunt hoeft niets nostalgisch in zich te hebben, maar verraadt een levende visie die de herinnering aan die stemmen, ritmes en de paradigmas die voortvloeien uit hun woorden en muziek actualiteitswaarde blijven geven.
Kemener had al vaker samengewerkt met het cultureel centrum Amzer Nevez te Plœmeur, in het kader van concerten, muzikale producties en zangklassen. Een deel van dit album (meer bepaald de eerste vier tracks op cd 2) wordt ingenomen door nummers uit zijn laatste project ‘Ar en deulin’, naar het gelijknamige posthuum uitgegeven boek van Yann-Berr Kalloc’h’s, die op 10 april 1917 sneuvelde in Urvillers als één van de vele slachtoffers van WO I. Het werd een poëzieavond waar voordracht en zang elkaar afwisselden. Zijn stem brengt de woorden van Kalloc’h terug tot leven in een omkadering door diverse getalenteerde zielsverwante instrumentalisten als Erwann Tobie (accordeon), Heikki Bourgault (gitaar) en Aldo Ripoche (cello), naast de stemmen van Éric Menneteau, Anne Auffret (ook harp) en Achille Grimaud. Samen brengen ze voorts Bretoense schrijvers onder de schijnwerpers als Anjela Duval (Eil bugaleaj), Naig Rozmor (zoals Dahouarn ma zad waar Auffret een harpbegeleiding op plaatste), Jakez Riou, en andere minder bekende artiesten die ons hun gwerzioù nalieten.
Ook Bretoense schrijvers die in het Frans schreven, zoals Xavier Grall (Marais de Yeun Elez, Marins), Armand Robin (Lettre à mon père) en Émile Masson (onder meer het onder accordeonbegeleiding parlando aangebrachte Langues prolétaires), verdienden hier een plaats. Soberheid blijft hier troef, en dan kan het ook gewoon a capella, zoals bij de opener An tad mager, een gwerz of ballade die hij samen met Achille Grimaud inzingt. Steekproeven uit het gezongen dansrepertoire, zoals de eveneens in duet ingezongen dañs fisel Marc’hadour Rouan, of de dañs vañch Melani vihan onder rijke, gedreven accordeon- en gitaarbegeleiding, mochten hier niet ontbreken. Innemend mooi is ook de ballade Barzh an Turki, waar hij zich laat ondersteunen door gitaar en cello. Hiervoor moeten de arrangementen in dañs pourlet Pe oen me bihan, bihan en de hanter dro Savet d’ur verc’h yaouank, allebei met aanstekelijke duetzang tussen Kemener en Menneteau, zeker niet onderdoen. Innemend is ook het vocale duet dat hij a capella aanspant met Anne Auffret in de gwerz Ar marc’hataer yaouank. Hier en daar werd discreet ook een instrumentaaltje ingelast van de hand van de gastmuzikanten, met speciale vermelding voor de scottish L’oranger de Kerlou van Tobie. Indrukwekkend is de interpretatie van de traditionele, geleidelijk naar een crescendo opgebouwde, kas a barh Pe oen er park i labourat (‘Wanneer ik op het werkveld vertoefde’), dat de voorbode werd van de dood in allerlaatste gedicht E-tal ar groaz (‘Voor het kruis’), van de dichter Yann Sohier,… en dan is het opeens heel stil geworden.

Kemener voelde aan dat hij de strijd tegen ‘zijn’ kanker niet zou winnen. In een afsluitend woord geeft hij dan ook aan dat deze opnames hem het voorbije jaar ferm geholpen hebben alsnog een zingeving te vinden in het leven. Hij drukt zijn liefde uit voor iedereen van ver en dichtbij die hem tijdens zijn leven tegemoetkwamen en zijn ‘traces’ (sporen) opmerkten en zijn gaan volgen. Dit opus (magnum) ultimus, bol staand van universele poëzie, nodigt uit tot introspectie en verheft elke luisteraar tot wettig erfgenaam van deze veel te vroeg heengegane bewaarder van het Bretoens erfgoed.