Iedereen in de AJC zingt!

De rood-blauw-groene wortels van de Nederlandse folkscene

Dansen rond de meiboom, Twee Conincs-kinderen zingend de vrije natuur intrekken, vier NJN-leden die samen een folkgroep beginnen: jeugd-bonden en volksmuziek hebben iets met elkaar. Of beter gezegd: hádden, want op de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie na zijn alle jeugdbonden, die tussen de twee wereldoorlogen zijn opgericht, inmiddels verleden tijd. Toch is in de Nederlandse folkscene nog veel van dat verleden terug te vinden.

De oorsprong van de jeugdbonden ligt in de ontwikkelingen die zich in de tweede helft van de negentiende eeuw met grote snelheid in Europa voltrokken. Veel West-Europese landen, waaronder Duitsland en Nederland, maakten toen een overgang van een agrarische naar een industriële samenleving door die heftige conflicten veroorzaakte tussen de generaties. In dit generatieconflict zetten de jongeren zich middels de jeugdbonden af tegen de ‘burgerlijke’ cultuur van de oude generatie. Ze wilden een nieuwe cultuur scheppen, een nieuwe manier van samenleven die niet alleen de volwassenen, maar ook ‘andere’ jongeren tot voorbeeld moest dienen.

© Albert Fünke Kupper, Colletie Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam

 

En dat betekende: weg met het leger dat in die tijd vaak tegen stakingen werd ingezet, weg met het kapitalisme dat de arbeider had geketend en vervreemd van zijn wortels, en weg met de alcohol die de arbeider tot een slaaf had gemaakt. Sterker nog, het betekende ook ‘weg met de volwassenen’, want de jeugdbonden die toen ontstonden waren allemaal door de jongeren zelf opgericht, en de invloed van volwassenen werd zoveel mogelijk geweerd.

Verschillende zuilen (doch vooral de linkse zuilen) kregen een ‘eigen’ jeugdbond. Zo richt-ten socialistische jongeren de rode Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) op, anarchistische (oftewel zwarte) jongeren hadden De Moker. A-politieke geheelonthoudende jongeren, oftewel de blauwen, verenigden zich in de Jongelieden Geheelonthouders Bond. Tenslotte hadden ook de katholieke jongeren hun eigen jeugdbond, Heemvaart genaamd. Heemvaart was weliswaar uitermate klein in vergelijking met de rest, maar zoals later zal blijken heeft ze voor de volksmuziek juist veel betekend. Tenslotte moet de Nederlandse Jeugdbond Voor Natuurstudie (NJN) genoemd worden, die ook a-politiek was en zich expliciet richtte op de natuurstudie. Van alle jeugdbonden is de NJN de enige die vandaag de dag nog bestaat.

De Wandervögel
De jeugdbonden waren over het algemeen socialistisch en pacifistisch, en ze hadden een wat ascetische inslag met hun afkeer van luxe en voorkeur voor vegetarisme en geheelonthouding. Het prototype van een jeugdbond waren wat dat betreft de Duitse Wandervögel, die in veel opzichten ook een voorbeeld voor de Nederlandse jeugdbonden waren. De Wandervögel waren rond de eeuwwisseling ontstaan en propageerden een Romantische ‘terug naar de natuur’-ideologie. Ze trokken er graag op uit om, jawel, te ‘wandern’, zetten primitieve kampen op en streefden een ascetische levenswijze na. Daarnaast zongen ze veel volksliederen, en werd op hun kampen gevolksdanst.

De Nederlandse jeugdbonden ontwikkelden ieder hun eigen versie van deze romantiek, waarbij ze de volksmuziek associeerden met een idyllisch verleden, of dat nou een pre-kapitalistisch of een pre-calvinistisch verleden was. Volgens de socialisten van de AJC was de arbeidersklasse het contact verloren met “de oude, edele volkscultuur” die haar leven “een hogere wijding en glans” moest verlenen. Muziek-leraar Piet Tiggers sloot zich aan bij de AJC omdat het muziekleven van de arbeider volgens hem “gedegenereerd” was. Hij wilde dit muziekleven nieuwe bezieling geven in de vorm van volksliedjes, en zijn echtgenote Line streefde hetzelfde na met de volksdans.

Bij Heemvaart was het Jop Pollman die het volkslied introduceerde. Pollman werd ook gedreven door een zekere nostalgie, en wel naar de Middel-eeuwen, “toen iedereen nog katholiek was”. Willemien Brom-Struick stortte zich bij Heemvaart op de dans en gaf enkele bundels met reidansen uit. De reidansen beschouwde zij als een redmiddel tegen de danswoede zoals de geheelonthouding tegen het alcoholisme. Zelfs de anarchistische Mokerjeugd, die regelmatig met justitie in aanraking kwam wegens opruiing en geweldpleging, volksdanste en zong volksliederen op haar jaarlijkse Pinkstermobilisatie in Appelscha.

Geschuif van kleverige paren
Waar kwam de volksmuziek van de jeugdbonden vandaan? Aanvankelijk zong men ver-talingen van Duitse liederen die bijvoorbeeld speciaal voor socialistische jeugdbonden waren geschreven, maar al snel putte men uit ‘eigen’ bronnen. Zo werden liederen gezongen uit het Antwerps Liedboek, de verzameling Het Nederlandsche Lied van Florimond van Duyse, en het veldwerk van Jaap Kunst, die met name op Terschelling veel volksmuziek heeft opgetekend. Jop Pollman bracht samen met Piet Tiggers de bundel Nederland’s Volkslied uit, en schreef zelfs een proefschrift genaamd Ons Eigen Volkslied. Pollman had behoorlijk rechtlijnige ideeën over hoe ‘echte’ volksmuziek moest klinken, overigens zonder die ideeën behoorlijk te onderbouwen. Zo meende hij dat stijlfiguren als syncope en chromatiek, die in de jazz en klassieke muziek meer voorkwamen dan in de volksmuziek, “objectief” decadent waren. Volksmuziek was “natuurlijker” en daarom vrij van zulke kunstmatigheden.

De volksdansen hadden de jeugdbonden ook aanvankelijk van hun Duitse voorbeelden overgenomen. Maar ook hier besteedden ze al snel aandacht aan ‘eigen’ dansen, bijvoorbeeld uit het onderzoek van Jaap Kunst. En ook hier zette men zich graag af tegen de populaire muziek. Willemien Brom-Struick had een duidelijke voorkeur voor reidansen, onder andere omdat die als groepsdansen niet de erotische lading hadden die de foxtrot en dergelijke wel hadden. In de inleiding van haar eerste bundel met reidansen haalde haar echtgenoot Gerard Brom fel uit naar het “werktuigelijk gestap en geschuif van kleverige paren”, dat “brutaal met beestennamen als foxtrot, turkeytrot, pas de l’ours” aangeduid werd. Nee, dan de rei, “de levenslustige rei, midden in de frisse natuur en in het forse volk geboren, die veerkracht zal geven aan de Nederlanders, die hier wakker hun eigen aard herkennen.”

© Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie

De NJN als enige overlevende
Tussen al deze politieke en katholieke jeugdbonden was de ‘groene’ NJN een wat vreemde eend in de bijt. Het was immers de enige bond met een concreet doel, namelijk de natuurstudie. Daar vloeide ook uit voort dat de NJN-ers weinig moesten hebben van de romantische natuurverheerlijking van de andere jeugdbonden. Voorts bestond binnen de NJN ook een zekere spanning tussen het ‘natuur’-doel (het bestuderen en onderzoeken van de natuur) en het ‘jeugdbond’-doel (een voorbeeld zijn voor de rest van de samenleving, onder meer door geheelonthouding).

Het is echter niet duidelijk of de NJN-ers ook wezenlijk andere ideeën over volksmuziek hadden dan leden van de andere jeugdbonden. Toen de jeugdbeweging haar bloei doormaakte deden de NJN-ers net als de andere jeugdbonden aan volksdansen en volksmuziek. Vanaf de Tweede Wereld-oorlog, toen de andere jeugdbonden praktisch ter ziele waren, gebruikten de NJN-ers echter de wat spottend klinkende term ‘hupsen’ wanneer ze het over volksdansen hadden. En volgens toenmalige leden ging dat hupsen ook wat lomper en minder gestroomlijnd dan de officiële folkloristische dansen. Het hupsen schijnt ook een praktisch doel te hebben gehad, en nog steeds te hebben: als je in het vroege voorjaar in een tentje kampeert kan dansen de enige manier zijn om warm te blijven. Aan de andere kant leek in ieder geval in de jaren zestig nog enige weerzin tegen popmuziek te bestaan. NJN-lid Frans Rijsdijk klaagde in 1967 nog dat op bonte avonden alleen volksmuziek of klassieke muziek ten gehore mocht worden gebracht. Bob Dylan en The Beatles werden weggefloten, en dat terwijl, volgens Rijsdijk, toch zeker tachtig procent van de NJN-ers zelf van die muziek hield.

De meeste jeugdbonden zijn kort voor de Tweede Wereldoorlog verdwenen. Vastgeroest in een starre ideologie lukte het hen steeds minder om jongeren voor hun idealen te interesseren. De Tweede Wereldoorlog moet zo ongeveer de genadeklap hebben betekend: ineens leek het pacifisme dat de meeste jeugdbonden aanhingen volstrekt irrelevant te zijn. Rechtse, meer geleide organisaties zoals de scouting kregen de overhand, en deze hebben trouwens ook het volksdansen en de volksmuziek voortgezet. Dat de NJN als enige echte jeugdbond vandaag de dag nog steeds bestaat geeft maar al te duidelijk de toenmalige tijdgeest weer. De NJN kon zich namelijk terugtrekken op haar ‘groene zandbank’ toen het ideologische tij in Europa keerde.

© Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie

Invloed op de huidige folkscene
De invloed van de jeugdbonden zie je vooral in het aandeel NJN-ers in de folkscene. De Nederlandse folkboom in de jaren zeventig was voor een aanzienlijk deel het werk van mensen die lid waren of waren geweest van de NJN. Deze speelden in bands als Twee Violen En Een Bas en De Perelaar, en vandaag de dag zijn ze te vinden in onder andere de folkgroepen Törf, Waarschuwing Voor De Scheepvaart, Taksim, Gheselscap Goet Ende Fyn, Marianta, Pekel en Madlot. Ook doet de huidige generatie NJN-ers nog steeds aan volksdansen, en je ziet hen steeds meer op folkbals.

Van de andere jeugdbonden merk je, althans in de volksmuziek, weinig meer. Wat nog wel leeft is het idee van volksmuziek als ‘natuurlijke’ muziek die herinnert aan een vervlogen verleden. Maar dat zal lang niet alleen door de jeugdbonden komen. De Mokerjeugd leeft vooral voort in de Pinksterlanddagen in Appelscha, die nog steeds een jaarlijkse bijeenkomst van anarchisten zijn. Maar al zal daar zo nu en dan een folkpunkbandje optreden, aan volksdansen doen de moderne anarchisten allang niet meer.

© Dit artikel verscheen eerder in New Folk Sounds 100, augustus, september 2005 en is online gepubliceerd in het kader van de folkcanon

Bronnen:
– W. Brom-Struick, Reidansen: eerste bundel, W.L. & J. Brusse, Rotterdam, 1946.
– M. Coesèl, De NJN, een gemeenschap van individualisten, Opulus Press, Leiden, 1997, ISBN 90-803988-1-0.
– G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd, Socialistiese Uitgeverij Nijmegen, 1975, ISBN 90-6168-504-4.
– J.L.M. Vos, De spiegel der volksziel, proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen, 1993, ISBN 90-9005595-9.
– J.L.M. Vos, Gemeenschapszang als ideologisch bindmiddel, in: L.P. Grijp (red.),
Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, Amsterdam University Press, 2001, ISBN 90-5356-488-8.