Julian Dawson – Living good

dawson

Living good
(Fledg’ling FLED 3090)

Vrijwel gelijktijdig met de uitgave van Reinventing Richard van de andere drie Plainsongleden, verscheen een soloalbum van het vierde ex-Plainsong compaan Julian Dawson. Na tweeëntwintig voorgangers werd dit album een terugkeer naar de eenvoud. Dat uit zich onder andere in de productie: analoge opnamen in de studie van Dan Penn en op een enkele track na louter stem en gitaar. Het moet gezegd dat het wel even wennen is. In eerste instantie is het een wat voortkabbelend album met weinig spectaculaire uitspattingen. Maar luister je vaker, dan ontdek je zoals zo vaak… de schoonheid. Dawson is een begenadigd gitarist, die behalve met fingerpicking ook behoorlijk met felle aanslagen kan uithalen. Ondanks – of juist dankzij – het solowerk komt het gitaarspel en de fraaie wijze van Dawson volledig tot zijn recht. Ook vocaal weet de man van wanten. Een heldere stem, die toch warm gekleurd is en een prima verstaanbaarheid. Maar de onverwachte, onderliggende verrassingen zitten hem in de teksten. Ook dat was bekend van Dawson, maar ditmaal ga je veel beter op die poëzie letten. En Dawson is een meester in het op subtiele wijze beschrijven van wat je zou kunnen noemen prikkelende situaties. Niets erotisch, maar situaties waarin hij een hak zet, strofen die op inventieve wijze een glimlach of schaterlach tevoorschijn toveren. Ter afwisseling staan daar wat liefdesliedjes tegenover. Niet echt spraakmakend, maar vanwege de fraaie melodieën en knappe, bevlogen manier waarop Dawson ze vertolkt toch de moeite waard. Een derde categorie zijn de liederen met zelfreflectie, al dan niet autobiografisch.   Naast eigen composities voegt de zanger gitarist er een enkele toe van zijn maat Den Penn, Jack Lewis en een traditional. De liedjes moeten dus duidelijk even rijpen, maar het is wederom een meer dan aanvaardbare schijf van Dawson. Eigenlijk niet anders verwacht….