Koen de Cauter – Flarden

Flarden
(EPO, ISBN 978-94 6267 190-4)

Hoewel er geen enkel muziekje weerklinkt uit deze autobiografische reflecties van Koen De Cauter, ademen zij in menig opzicht lovenswaardige schrijfsels, bij momenten poëtische filosofische mijmeringen, ‘zijn’ muziek of beter, het muzikale proces dat hij doormaakte tijdens zijn haast levenslange vrijages met klarinet, gitaar en saxofoon.
Een verhaal dat z’n aanvang neemt in Gistel, wanneer zijn ouders besluiten dancing ‘Den Doedelzak’ te gaan runnen. Zijn vader noemde hij Mijnheer Emiel, Don Quichotte… Duidelijk een autodidactische reflecteerder over het wezen en het zijn. En ook Koen draagt dit in de genen, het bepaalt zijn heel eigen(zinnige) visie op de mens in zijn omgeving, over religie, en niet in het minst ook over muziek. In alles is hij op zoek naar authenticiteit, en hij blijft hierbij heel kritisch en dus soms scherp.
De verhuizing, als puber, naar ‘De Klokkeput’ in Sint-Martens-Latem, laat hem voor het eerst kennis maken met een sterk doordrongen gevoel van nostalgie, dat hem daarna nooit meer loslaat, en zich vertaalt in zijn muziek. Daar komt hij ook in contact met de wereld van de eerste hippies, en de zigeuners, de New Orleans jazz…
Heel boeiend zijn zijn muziekfilosofische reflecties, waarin hij onder meer op zoek gaat naar een definitie van wat ‘waarachtige’ muziek is. Muziek is voor hem ook een constante onderstroom in het leven, soms nauwelijks hoorbaar, soms heel duidelijk aanwezig, en nooit afwezig. Je leest wat hij ontdekte bij de zigeuners waarmee hij optrok, wat hem aanzoog in flamenco en tango, over zijn leermeesters, de talloze muzikanten die hem omringden, de rol van Wannes van de Velde, de betekenis van Brassens, Django Reinhardt en Guido Gezelle in zijn leven, zijn avonturen met het Waso quartet, de essentie voor hem van jazz.  Zo definieert hij op een verrassende wijze wat voor hem muziek met wortels genoemd kan worden.
En het gaat ook verder over zijn leven, religie, de liefde, de kinderen, Myrddin, zijn zwerverijen, de dood. Flarden, telkens gelardeerd met heel gevatte eigen zegswijzen (ik schrijf uitdrukkelijk niet ‘oneliners’, want hij haat dergelijke ‘verarmingen’ van de taal). Soms weerklinkt enige ironie of cynisme en haalt hij wel eens uit naar anderen, maar zijn wezen getuigt van een uitgesproken filantropie.
Het boek eindigt overigens met een aantal persoonlijke ‘spreuken’ die tot nadenken stemmen. Musicologisch, maar zeker ook vanuit literair en filosofisch standpunt een interessante uitdaging.