La Grande Guerre in het Frans chanson, deel 2

Vooraleer verder te gaan met het Franse patriottisme dat in chansons tijdens de wereldoorlog zo mogelijk nog uitdrukkelijker bezongen werd dan ervoor, willen we het hebben over hét soldatenlied dat in Wereldoorlog I de soldaten aan het dromen kon brengen.

Quand_Madelon.jpg2

Dit is deel 2 van deze serie:

 

Quand Madelon
Quand_MadelonDe impact van het lied Lili Marleen op de soldaten tijdens Wereldoorlog II is zowat vergelijkbaar met wat Quand Madelon heeft betekend voor soldaten tijdens Wereldoorlog I. Net als Lili Marleen een lied is dat zonder groot succes door Lale Andersen werd gezongen voor de tweede wereldoorlog begon en pas tijdens de oorlog zijn succesvolle opmars heeft gekend, zo ook werd Quand Madelon begin 1914 zonder groot succes voor het eerst gezongen in l’Eldorado. Dat was een café-concert, een caf’conc’ zoals dat door de Fransen genoemd werd, in Parijs. Het lied verhaalt hoe een dienster in een cabaret dat veel door soldaten wordt bezocht niet al te streng is wanneer soldaten haar hier of daar een streling geven terwijl ze de dranken opdient. Het lied moet gesitueerd worden in het kader van wat in Frankrijk ‘les comiques troupiers’ werd genoemd. Caf’conc’ zangers verkleedden zich in Franse soldaat en zongen kluchtige, vaak boertige liedjes over het soldatenleven. Zolang niet echt de spot gedreven werd met het militaire apparaat werd dat in het patriottisch Frankrijk geduld. Het kon zelfs de moraal van de soldaten die twee jaar onder de wapens waren opgeroepen wat opkrikken.

De zanger Charles-Joseph Pasquier die onder de artiestennaam Bach bekend is, kreeg einde 1913 het lied van de auteur Louis Bousquet. Die had de tekst geschreven op een bekende marsmuziek van Camille Robert. Bach zong het voor het eerst enkele maanden voor de algemene mobilisatie. Polin, een andere ‘comique troupier’ probeerde het lied uit op zijn tournee door Frankrijk en zong het, eveneens zonder groot succes, in het Palais de Cristal in Marseille. Hij zou het niet op zijn repertoire houden. Maar een zekere Sioul, jonge soldaat en amateur-zanger die gemobiliseerd was en in een school te Fontenay-sous-Bois op het marsbevel wachtte, zong het voor zijn kamergenoten. Wellicht had die Sioul Bach het lied horen zingen in Parijs en had hij het ‘petit format’ aangeschaft om het zelf ook te leren zingen. Het lied werd bijzonder geapprecieerd door zijn makkers en werd van daaruit verspreid van madelon-2kazerne tot kazerne, en van front naar front. In de kortste tijd kende heel het Franse leger het lied en kort nadien werd het ook door de Engelsen gezongen. Bij het einde van de oorlog werd het door de Amerikaanse soldaten geëxporteerd naar Amerika. De gelijkenis met hoe Lili Marleen een succeslied werd is treffend. Dat de tekst van Lili Marleen ook uit de eerste wereldoorlog stamt is minder bekend. Hij werd geschreven in 1915 door Hans Leip, een achttienjarige Duitse soldaat, kort voor zijn vertrek naar het front. De tekst werd pas tweeëntwintig jaar later gepubliceerd in een dichtbundel en op muziek gezet op vraag van de zangeres Lale Andersen. Lili Marleen was bij het verschijnen in 1939 allesbehalve een succes. Wat het werd nadat het in 1941 werd gedraaid op een Duitse soldatenzender weten we ondertussen wel.

De oorlog in de liedjes
Zeggen dat alle liedjes die in de Franse variététheaters gezongen werden naar de oorlog verwezen zou overdreven zijn, maar het is wel zo dat in heel veel liedjes, ook de meest romantische liefdesliedjes, over de oorlog en de soldaten aan het front gezongen werd. Daarbij werd vaak het woord ‘poilu’ gebruikt, waarmee destijds de Franse soldaten in de volkstaal werden genoemd. Hoorde je die verwijzingen niet in de chansons die Mistinguett en Maurice Chevalier in de Folies-Bergère zongen, dan kon je in 1915 in diezelfde theaterzaal Henriette Leblond Les poilus de Joffre horen zingen.
De grote chansonauteur Vincent Scotto schreef, eveneens in 1915 Le cri du poilu. In 1917 werd zowel in de Opéra Comique te Parijs als bij de soldaten Choisis Lison gezongen. Het refrein gaat als volgt:

V’là les Poilus, V’là les Poilus,
ceux de l’Yser, ceux de Verdun,
ceux des Hurlus, choisis celui qui te plaira.

In hetzelfde jaar heeft Valse de l’absent als ondertitel ‘Lettre d’une Française à son poilu’. Andere, hoopgevende liedjes uit 1917 hebben als titel Quand on vient en permission en Tu le r’verra Paname. Talrijk zijn ook nu, net als voor de oorlog, de liederen die de Franse driekleur en het oorlogsgeweld verheerlijken. Veel chansontitels spreken voor zich: La garde de nuit à l’Yser (1914), Cocorico ! (1915) met als ondertitel het duidelijker L’aigle et le coq! waarbij de haan de onsterfelijke Marseillaise kraait, Ils ne passeront pas!! (1916), Verdun! On ne passe pas! (1916), Les loups (1916) waarin de wolven uit Oostenrijk, Beieren en Pruisen komen.

Damia – La garde denuit
Damia – La garde denuit

 

Wellicht het meest bekende lied uit de beginperiode van de oorlog is Au bois Leprêtre, verwijzend naar het grote bos nabij de toenmalige Duitse grens in Lotharingen waarin van september 1914 tot juli 1915 hevig gevochten werd.
Lucien Boyer schreef de tekst op de melodie van het bekende Belleville-Ménilmontant van Aristide Bruant.

Adolphe Berard – Qui a gagne la guerre
Adolphe Berard – Qui a gagné la guerre
 

Na de wapenstilstand werd er gezongen Qui a gagné la guerre? In de eerste strofe horen we ondermeer ‘Les uns disent: C’est l’Amérique’ maar het refrein laat er geen twijfel over bestaan: C”est le Poilu, soldat de France. En ook Madelon verschijnt opnieuw in een nieuw kleedje als La Madelon de la victoire. Lucien Boyer schreef de tekst, Charles Borel-Clerc de muziek en Maurice Chevalier zong het in november 1918 al in het theater Casino de Paris.

Théodore Botrel
BotrelDe zeer katholieke en super patriottische ‘Chansonnier Breton’ Botrel heeft tal van stichtende en vaderlandslievende liederen geschreven. Hij verspreidde die vanaf november 1907 zelfs in een familiemaandblad ‘La Bonne Chanson’ waarbij die ‘bonne’ in tegenstelling staat met de vele zedeloze en dus verwerpelijke liedjes die in Parijs te horen waren. Maar de brave man was vooral in de oorlogsjaren ook erg productief. De Minister van oorlog, Alexandre Millerand, benoemde hem tot ‘chansonnier aux Armées’ en hij ging, in tegenstelling tot Montéhus, zijn patriottische verzen wel zingen voor de soldaten en de slachtoffers in de hospitalen. Ook hij werd na de oorlog onderscheiden met het ‘Croix de guerre’. Bij Botrel zijn de titels vaak overduidelijk: Les Goths, La Kaiseriole, La Crève aux Boches, Tant pis pour eux, Dans la Tranchée. Is de woordkeuze van Botrel in zijn titels niet erg fijn, in zijn teksten is die vaak nog wat erger. De meeste van deze chansons zijn, net als Au bois Leprêtre, geschreven op een bestaande populaire melodie.
rosalieTwee van deze liederen wil ik toch bijzonder vermelden. Het zijn zowaar liefdesverklaringen aan wapens. La Bonne Chanson? De soldaten gaven aan de bajonet de naam ‘Rosalie’. Het lag voor de hand om ook een lied met deze titel te schrijven.
Op de melodie van La Fanchette, sinds 1895 één van zijn eigen succesnummers, schreef hij Rosalie, een ode aan de bajonet waarmee je ‘het onzuivere bloed van de Moffen over de velden kunt laten vloeien’.  Maar nog beter dan een bajonet is het nieuwe wapen: de mitrailleur.

Op de melodie van het erg populaire La petite Tonkinoise zong Botrel Ma p’tite mimi (ma p’tite mimi, ma mitrailleuse). Een soldaat zingt over zijn geluk tot mitrailleur benoemd te worden, zo kon hij zijn heimwee naar zijn lief verdrijven want de mitrailleuse is nu zijn grote liefde. Het ‘taratata’ bij het schieten lijkt wel een vogeltje dat fluit en de soldaten van de ‘Kaiser’ zijn een prachtig doelwit. Er bestaan chansons die meer stichtend zijn dan deze Botrel-verzen. Oude opnames van deze twee liederen bestaan er (gelukkig) niet. Rosalie werd in 1968 wel op een elpee ‘Chansons patriotiques’ gezet door Gustave Botiaux. Van Ma p’tit mimi zijn mij twee vertolkingen bekend. Gerard Viala zong het in 1985 in de revue ‘Les Torlourous’ en Patrick Riguelle zingt het op zijn recente cd ‘Un premier amour’.

La chanson de Craonne
Als er één oorlogslied is dat niet vergeten zal worden, dan is het La chanson de Craonne. Het werd niet gezongen in de theaters van Parijs maar des te meer door de soldaten aan het front. Met stille stem, weliswaar, want de legeroversten mochten het zeker niet horen. De miserie en mensonwaardige omstandigheden waarin de ‘poilus’ moesten leven en strijden wordt aangeklaagd. De soldaten vrezen nooit meer een vrouw te kunnen beminnen. Maar bovenal roept het de soldaten op te staken, tot muiterij. Het lied eindigt als volgt: Het zal nu jullie beurt zijn, grote heren, om het plateau te bestijgen. Wilt u oorlog, betaal die dan met uw eigen huid. De tekst van dit lied is geschreven op het succesnummer Bonsoir m’amour waarvoor Adhémar Sablon, vader van Jean en Germaine Sablon die later beiden ook ruime bekendheid hebben genoten als zanger en zangeres, de muziek had geschreven. De tekst van Raoul Le Peltier luidde in het refrein:

Bonsoir, m’amour, bonsoir, ma fleur,
Bonsoir toute mon âme.
O toi qui tiens tout mon bonheur
dans ton regard de femme ! en zo verder.

Het lied dat in zowat alle Parijse theaters werd gezongen was in duizenden exemplaren als ‘petit format’ verkocht en was zo algemeen verspreid. Soldaten schreven volgend refrein:

Adieu la vie, adieu l’amour,
adieu toutes les femmes.
C’est bien fini, c’est pour toujours
de cette guerre infâme.
C’est à Craonne, sur le plateau,
Qu’on doit laisser sa peau ;
Car nous sommes tous condamnés,
nous sommes les sacrifiés.

 Craonne was een dorp aan het front, aan de beruchte Chemin des Dames, ten zuidoosten van de stad Laon. Nadat een offensief aldaar in april 1917, bevolen door de Franse generaal Nivelle, op een totale mislukking was uitgelopen en enkel onnoemelijk veel menselijk leed had opgeleverd, weigerden soldaten een volgend bevel in mei op te volgen. Die muiterij werkte aanstekelijk op andere divisies van het Franse leger. Blijkbaar werd toen La chanson de Craonne luider gezongen. Het kwam in elk geval de legerleiding ten gehore want die beloofde een royale beloning voor wie de naam van de auteur van het lied zou kenbaar maken. Toch hebben de één miljoen goudfranken en de onmiddellijke permissie om het front voor goed te verlaten geen verrader opgeleverd. Hoe zou het ook gekund hebben. Het lied werd in verschillende divisies gezongen in verschillende varianten. Het gevoel dat ze veroordeeld waren en opgeofferd werden voor een onhaalbare strijd leefde immers niet alleen in Craonne. Het lied werd, al vroeger dan april 1917, mond aan mond en via brieven doorgegeven en bekend gemaakt. Een vroegere versie van het lied ging over Lorette, een slagveld in Artesië en in 1916 werd Verdun en het Fort van Vaux vermeld in de tekst. Het is als La chanson de Craonne bekend geraakt en gebleven omdat die tekst te lezen was in een door de controle onderschepte soldatenbrief in augustus 1917. De tekst werd in 1919 gepubliceerd door de communistische schrijver en journalist Paul Vaillant-Couturier in zijn boek ‘La Guerre des soldats’. La chanson de Craonne is een scherpe aanklacht tegen de oorlog en het onmenselijk leed dat gewone soldaten te lijden hadden. Ook al werd het lied jarenlang na de oorlog niet meer gezongen, sinds zowat een halve eeuw is het uitgegroeid tot een der sterkste anti-oorlogsliederen. De oudste bekende opnames op plaat door Eric Amado en door Ginette Garcin dateren van 1963. Mouloudji zong een versie op een cd, uitgegeven door het museum Historial de la Grande Guerre te Péronne. Op een mini-cd uitgegeven door het museum Caverne du Dragon op de Chemin des Dames wordt het gezongen door Maxime Le Forestier. In zijn boek ‘Chanson’ zweert Bart Van Loo bij de versie, gezongen door Gérard Pierron en ik wil hem daar graag in bijtreden. Het lijkt wel of in zijn stem de wanhoop der soldaten doorklinkt. Pierron zingt het op een cd van de 14-delige Anthologie de la chanson française enregistrée – La tradition, een uitgave uit 1994 van EPM Musique. Zijn versie is ook te horen op de goedkope 4-cd map Chansons de France die EPM in 2007 uitbracht.

chcraonne1

In een derde deel zullen we het hebben over Franse chansons over WO I die later en tot op vandaag geschreven werden.