La Grande Guerre in het Frans chanson, deel 3

In de vorige delen van deze artikelenreeks werden al enkele liederen vermeld die na de eerste Wereldoorlog werden geschreven. Bij de paragraaf ‘Montéhus’ vermeldden we zijn chanson uit 1922 La Butte Rouge. En onmiddellijk na de wapenstilstand werden overwinningsliederen geschreven zoals Qui a gagné la guerre? en La Madelon de la Victoire. In de eerste jaren na de oorlog zijn weinig andere chansons te vinden die naar die oorlog verwijzen.

Dit is deel 3 van deze serie:

 

WO I


Les anneés folles

Ne jouez pas aux soldatsDe jaren twintig werden ‘Les années folles’ genoemd en de meeste liederen uit die periode zijn liefdesliederen, vaak zelfs met een dubbele bodem. Talrijk zijn ook de chansons die het dansen verheerlijken. In die tijd kenden de charleston, de foxtrot, de tango en natuurlijk ook de Franse java hun ware bloeiperiode. Toch lijkt me één chanson uit 1921 het vermelden waard in deze reeks: Ne jouez pas aux soldats. Op een nogal zeemzoetige manier waarschuwt de auteur Léo Lelièvre de ouders geen oorlogsspeelgoed te geven aan de kinderen, noch hen in een soldatenplunje te kleden ter gelegenheid van carnaval. ‘In naam van onze jeugdige helden …moeten we nooit meer soldaatje spelen’ is zijn slotboodschap. Paul Dalbret zette de tekst op muziek en zong het lied bij optredens. In 1925 werd het door Monty voor het eerst op plaat gezet. Les Sunlights zongen het in 1984.

Les Gueules Cassées
In de oorlog werden duizenden soldaten zwaar verminkt in het gezicht. Velen werden onherkenbaar. Om hun eis tot erkenning als oorlogsslachtoffer kracht bij te zetten richtten drie mannen in 1921 de vereniging ‘Union des Blessés de la Face et de la Tête’ op. Ze noemden zichzelf ‘Les Gueules Cassées’ wat in het Nederlands ‘De Kapotte Smoelen’ zou heten. Toen in 1927 een kasteel zou worden aangekocht in Moussy, waar meerdere van die door de maatschappij verworpen oud-strijders onderdak zouden kunnen vinden, werd een Gala gehouden om fondsen te verzamelen. Audiffret en Krieger schreven de gelegenheidstekst Les Gueules Cassées die door de populaire Vincent Scotto op muziek werd gezet. Het lied werd door Alibert, schoonzoon van Scotto en populair revue-artiest, gezongen op het Gala te Moussy op 3 maart 1927. Hij zong het lied ook in het Trocadéro te Parijs. Nadien is het lied compleet in de vergetelheid geraakt. Noch in boeken, noch op compilaties met chansons van Scotto of Alibert is het terug te vinden. Olivier Roussel, voorzitter van de Union des Blessés de la Face et de la Tête vond de partituur terug in de archieven en vertrouwde die toe aan Jean-Jacques Debout, een gewaardeerd chansonnier sinds 1957. Debout schreef er nog twee chansons bij : Les Gueules Cassées ont un passé en Sourire quand même. Die laatste titel is ook het motto van de vereniging. In 2008 werden de drie chansons uitgegeven op een mini-cd die ten voordele van de vereniging wordt verkocht. Ikzelf vond de cd in het Museum ‘Memorial de Verdun’.

Brassens, Le Forestier, Renaud en anderen
Voor zover ik het kon achterhalen werd het wachten tot de jaren ’60 vooraleer Wereldoorlog I weer chansonniers tot liedjes inspireerde. Het bekendste is waarschijnlijk La guerre de 14-18 van Georges Brassens. Als anti-militarist hekelt hij in 1962 met zijn gekende spot alle oorlogen. Als het op wreedheden en bloedvergieten aankomt zijn voor hem alle oorlogen het vernoemen waard maar die van 14-18 verkiest hij toch boven alle andere. Ernst van Altena vertaalde dit standpunt als volgt: Ja kameraad, ‘k zie in gedachten veertien-achttien als favoriet. In de vertaling van Gerard Wijnen wordt het: Ik, kolonel, ik vind al jaren veertien-achttien mijn favoriet!. Bij mijn weten bestaat er van deze Nederlandse vertalingen geen opname. Nog meer spot is te horen in Brassens’ Les Patriotes dat hij veertien jaar na het vorige zong. Daarin steekt hij de draak met oorlogsinvaliden die niet treuren om hun verminking maar ze integendeel met vaderlandse fierheid dragen. Hun enig verdriet bestaat er in dat ze zonder armen het eresaluut niet meer kunnen brengen, dat ze als blinde de driekleur niet meer zien wapperen, dat ze als dove de klaroen niet meer horen schallen, en zo verder. Dat Brassens hier vooral de strijders van Wereldoorlog I voor ogen heeft maakt hij duidelijk met het zinnetje ‘On rêve de Rosalie, la baïonnette, pas de Ninon’. Denk maar aan het lied Rosalie van Botrel uit de vorige bijdrage.

Les lettres is een erg aangrijpend lied over de oorlog dat Maxime Le Forestier schreef in 1975 na het toevallig vinden van een stel brieven die een boer en zijn vrouw tijdens de oorlog naar elkaar schreven. De eerste brief is van april 1912, de man is dan al een jaar in het leger. In augustus 1914 hoopt de boer over enkele maanden al, na de overwinning, terug thuis te komen. In zijn laatste brief, april 1916, schrijft de man dat de oorlog nog lang kan duren. In de brieven tussendoor is het de vrouw die schrijft hoe moeilijk zij het heeft het bedrijfje te runnen.

Renaud schreef zelf geen lied dat naar die oorlog verwijst maar hij had in 2009 het goede idee om de song van Eric Bogle The green fields of France, ook bekend als No Man’s Land, in het Frans te vertalen. Franstaligen kunnen nu ook die mooie song begrijpen. Bij Renaud kreeg het de titel Willie McBride, de naam van de soldaat in het lied die onder de grafsteen op een soldatenkerkhof in Normandië begraven ligt. Het is alleen jammer dat Renaud het zelf op cd zette. Zijn versleten stem was helaas toen al een lichte pijniging voor de oren.
Léo Ferré zette in 1961 het aangrijpend gedicht van Aragon Tu n’en reviendras pas op muziek. Aragon schrijft over de gevallen soldaten die enkel nog met letters op een monument voortbestaan. Het chanson is hernomen door veel andere chansonniers.
Na Brassens en Ferré wil ik ook Jacques Brel vermelden. In zijn chanson Jaurès eert hij de socialistische parlementariër en vredesactivist die net voor het begin van de oorlog werd vermoord. ‘Wie zich nog niet had doodgewerkt moest naar het slagveld vertrekken. Jonge mensen van nauwelijks twintig lieten daar, op bevel van enkele oorlogszuchtigen, in angst en pijn hun leven’ zingt Brel.
Bruno Brel, de neef van Jacques, mijmert in zijn chanson Le vent des dunes over de oorlogsgraven van Abbeville tot Verdun en in de velden rond Veurne en de IJzer.
Van de veel te jong gestorven chansonnier Jacques Debronckart verschenen in 1965 en 1966 45-toeren ep’s bij Philips. Maar het platenmerk weigerde een aantal van zijn liedjes uit te brengen. Zo verhuisde hij naar het label Bam dat in 1967 zijn eerste lp uitbracht. Daarop stonden enkele chansons die onmiddellijk op de radio gecensureerd werden. Eén ervan was Mutins de 17 waarin hij zingt over de muiters van 1917 waarvan er een zestigtal gefusilleerd werden. (zie in vorig deel: La chanson de Craonne) ‘Waarom wordt over jullie gezwegen?’ vraagt Debronckart zich af. ‘De geschiedenis gooide jullie in de goot. Zal je ooit uit de vergetelheid komen? Zoals de zaken er nu voorstaan twijfel ik daaraan, muiters van 1917’. Het is een sterk lied over de oneer die deze ‘poilus’ is aangedaan. Het lied van Debronckart was voor het eerst te horen op de publieke radiozender France Inter in 1998 op vraag van een luisteraar. In dat jaar bracht premier Lionel Jospin een bezoek aan Craonne als eerste officiële blijk van eerherstel aan deze soldaten. Zelfs toen, ruim tachtig jaar na de feiten, waren er patriotten die schande spraken over dat humane optreden van Jospin.

Gerard Berliner scoorde in 1982 zowaar een hit met zijn chanson Louise: een zwangere meid pleegt abortus met de breinaald nadat ze verneemt dat haar lief sneuvelde in de oorlog.
Op zijn cd Cosmonaute uit 1995 zingt Georges Chelon zijn chanson Apollinaire. Het gaat over de dichter die ook soldaat was in de oorlog en in januari 1915, vanuit de loopgraven, een brief schrijft naar zijn beminde muze Lou.
De chansonnier uit Brest, Miossec, zingt in 1997 La guerre. Hoewel hij de eerste wereldoorlog niet vermeldt in zijn chanson maakt de beschrijving van de gevechten duidelijk dat hij over 14-18 zingt.
De groep Moussu T e lei jovents uit Marseille bracht in 2005 de cd Mademoiselle Marseille uit waarop het eenvoudige maar mooie Paul, Émile & Henri staat. Het bezingt het slagveld waarop de drie boerenzonen sneuvelden. Hun velden zagen ze nooit terug.

In 2006 zingt François Hadji Lazaro En cet hiver 1915, il vous aimait très fort. Het verhaalt over een brief die een soldaat schrijft naar de vrouw van zijn gevallen vriend. De briefschrijver zelf overleeft de oorlog ook niet.
En hoeveel zangers vermelden in een of ander chanson Verdun niet als metafoor voor wrede gevechten? Ondermeer Ferré doet dat in zijn La Marseillaise. En in zijn chanson Verdun ziet Joyet, zich neerbuigend over zijn grasveld, hoe wreed de insecten in het gras elkaar te lijf gaan en vermoorden. Elke strofe besluit hij met: ‘C’est Verdun!’.

Twee thema-cd’s
200x200-000000-80-0-0In 2008 bracht Tichot, artiestennaam voor François Guernier, de cd 14-18 une vie d’bonhomme uit. Daarop hoor je zeventien chansons. Er staan meerdere oude en bekende nummers op zoals Au bois Leprêtre, Le cri des poilus, La prière des ruines, en natuurlijk La chanson de Craonne. Maar de bijzondere verdienste van Tichot bestaat erin dat hij meerdere teksten, geschreven tijdens de oorlog, op muziek zette. Zo kunnen we hier kennis maken met de tekst Le champ d’honneur, in 1915 geschreven door de anarchistische dichter Eugène Bizeau (1883-1989). Bizeau windt er geen doekjes om wanneer hij op het einde van de eerste strofe schrijft: ‘Le champ dévasté par la guerre immonde est un abattoir plus qu’un champ d’honneur’. Elk van de vier strofes eindigt met een variante van die tekst. Veeleer een slachterij dan een veld van eer, dat is het! Ook Avant le départ en Leur idéal zijn teksten van Bizeau. Le testament du fantassin is een gedicht van Paul Verlet (1890-1923) uit 1914. Verlet was een soldaat die meerdere keren werd gewond en steeds naar het front terugkeerde. Zijn vroege dood was hiervan het gevolg. A Hurtebise is een anonieme tekst uit 1914 en Fleurs de tranchées is een lied, in de loopgraven geschreven, op de melodie van het beroemde Le temps des cerises. Het wordt hier gezongen met een begeleiding op banjo en saxhorn. François Guernier schreef zelf tekst en muziek van 1916.

grange 3Een tweede bijzonder geslaagde thema-cd is Des lendemains qui saignent van Dominique Grange uit 2009. Grange werd als chansonnière vooral bekend door de liederen die ze schreef en zong tijdens de meidagen 1968 te Parijs. Ook deze cd, gewijd aan Wereldoorlog I, bevat meerdere bekende nummers: La chanson de Craonne, La butte rouge, La grève des mères. Ze herneemt ook Tu n’en reviendras pas van Aragon/Ferré. Zelf schreef ze een aantal nummers die met haar heldere maar kordate stem bijzonder klinken: Petits morts du mois d’août, Laisse-moi passer, sentinelle (muziek van Philippe Mira) en Au ravin des enfants perdus. Dat laatste nummer kreeg als ondertitel Chanson pour Vauquois. Het dorpje Vauquois in de buurt van Verdun werd compleet van de kaart geveegd. Vandaag kan men er nog de diepe kraters zien. Op de cd zingt Grange ook het anonieme Italiaanse oorlogslied O Gorizia en verder nog de algemene anti oorlogsliederen Le déserteur van Vian (1920-1959) in zijn eerste, originele tekst en Fraternité van Sébastien Faure (1858-1942). Tussendoor leest haar echtgenoot Jacques Tardi teksten uit het stripalbum Putain de guerre! dat hij samen met Jean-Pierre Verney schreef. Des lendemains qui saignent bestaat ook als boek met toegevoegde cd. De illustraties zijn uiteraard van Tardi.

http://www.youtube.com/watch?v=UkLZwEfxMmo  Des lendemains qui saignent

Nooit meer oorlog!
Graag wil ik als slot van deze reeks een chanson vermelden dat de wens ‘Nooit meer oorlog!’ uitzingt. De titel is Non, non, plus de combats !. Het werd, net als vele andere chansons, geschreven in de loopgraven. De anonieme schrijver gebruikte de melodie van Montéhus’ Gloire au XVIIème! Het werd in de streek van Nice opgetekend door liedverzamelaar André Guigo bij de in het gezicht verminkte ‘poilu’ Clément Robini. De man had in een schriftje een twintigtal liedjes uit de loopgraven opgetekend. Hij heeft ze zijn leven lang gezongen. Dit is er één van. Het werd, denk ik, voor het eerst op cd gezet door Corou de Berra, een gemengd polyfonisch koor uit de streek van Nice, voor de Anthologie de la chanson Française – La tradition.
Na bijna honderd jaar moet men helaas nog zingen:
’Aimons-nous, peuples d’ici-bas,
Ne nous tuons plus entre frères !’

P. S.: Aanvullingen en verbeteringen op deze artikelenreeks zijn natuurlijk welkom.