La Grande Guerre in het Frans chanson, deel 1

« Tout finit par des chansons » is een bekend gezegde in en over Frankrijk. Het is bedacht door Beaumarchais, een schrijver uit de achttiende eeuw. Het is de slotzin van zijn operalibretto Le mariage de Figaro. Bij Wereldoorlog I kan men dit gezegde enkel beamen. Maar niet alleen het einde van de oorlog werd in chansons bezongen, ook gedurende, lang erna en zelfs voor de oorlog werden er liedjes over gemaakt. Je zou kunnen beweren dat die Grote Oorlog ook met liedjes is begonnen.

Dit is deel 1 van deze serie:

Voor de oorlog
SAVE0026

Voor Frankrijk is het voorspel van die oorlog al begonnen onmiddellijk na de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. Frankrijk had bij het einde van die oorlog een heel stuk grondgebied, met name de Elzas en een groot deel van Lotharingen, aan Duitsland moeten afstaan. Het Franse patriottisch eergevoel was hierdoor zodanig gekrenkt dat al onmiddellijk gehoopt werd op weerwraak.
Vrij vlug na deze nederlaag werd er al over gezongen. Het lied Alsace et Lorraine laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Het refrein klinkt, vrij vertaald, als volgt:

Je zal Elzas en Lotharingen niet hebben en ondanks jullie zullen we Fransen blijven. Het grondgebied heb je kunnen verduitsen maar ons hart, dat krijg je nooit.

In de tekst worden natuurlijk ‘la France, notre mère’ en de ‘drapeau tricolore’ herhaaldelijk genoemd.

 

De tekstauteurs van Alsace et Lorraine, Gaston Villemer en Henri Nazet, schreven ook Les cuirassiers de Reichshofen, een patriottisch lied over de heldendaden van de soldaten. ‘France! Ils portaient ton drapeau glorieux’ staat er ergens in de tekst. Beide chansons werden in 1871 geschreven en voor de eerste wereldoorlog waren er al door meerdere vertolkers klankopnames van gemaakt. Meerdere patriottische liederen gingen de sentimentele toer op. Villemer en Denormel schreven in 1872 Le maître d’école alsacien. Hierin wordt het invoeren van het Duits als onderwijstaal aangeklaagd. De onderwijzer heeft tranen in de ogen wanneer hij over Frankrijk praat. En tot de kinderen (weeskinderen, natuurlijk) wordt gezegd: u die door de oorlog getroffen bent, herinner u onze tegenslagen, en moge de nieuwe grens nooit in uw hart bestaan.
Een bijzonder lied uit dclairon_le_pgceze periode werd in 1875 door een oud-strijder van 1870, Paul Déroulède, geschreven. Le clairon werd drie jaar later op muziek gezet door Émile André. Het lied bezingt de lof van een moedige klaroenspeler die tot zijn laatste adem ‘ten aanval’ blaast tijdens de strijd. De strijdlust druipt van de tekst af en bereidt de Franse soldaten duidelijk voor op een nieuwe strijd tegen de Duitsers. Die zal dan natuurlijk op een overwinning eindigen. Le clairon was wellicht het meest verspreide lied op ‘petit format’, zoals de muziekblaadjes die mensen kochten om een chanson na te kunnen zingen genoemd werden. Het lied werd ook aangeleerd aan de Franse schoolkinderen. Kwestie van goed voorbereid te zijn op wat, hopelijk, nog komen zou. Voor 1914 zijn al vijftien geluidsopnames gemaakt door zangers uit die tijd. Ook na de oorlog werd dit patriottisch chanson nog vele keren opgenomen.

Gilles Elbaz – Le clairon
Er zijn nog tal van chansons op te noemen die een link leggen tussen de oorlog van 1870-1871 en die van 1914-1918. Sommige titels spreken voor zich: Le Père la Victoire (1888), Chargez! (1894), Marche Lorraine (1895), Ce que c’est qu’un drapeau (1900)… Het meest bizarre lied uit die periode is ongetwijfeld Le fils de l’Allemand, geschreven in 1882, alweer door Villemer en Delormel. De muziek is van Paul Blétry. Het verhaalt de belevenis van een Duitse officier die aan de nieuwe grens aanklopt aan een armoedig huis waar een vrouw haar kind zoogt. Hij vraagt haar het leven te willen redden van zijn pasgeboren zoon, wiens moeder bij de geboorte stierf, door hem te willen zogen. Een beloning zal niet uitblijven. Maar de fiere Lotharingse vertelt hem hoe de Duitse soldaten haar zoontje vermoordden in zijn wiegje. Het lied besluit hilarisch met : ‘Zet uw weg maar verder, mijn borst is Frans. Zet hier geen voet binnen en neem je kind maar mee. Mijn zonen zullen later de Marseillaise zingen. Ik verkoop mijn melk niet aan de zoon van een Duitser’.

 

Montéhus

Laat me hier de chronologie doorbreken om liedjes van Montéhus ‘Le chansonnier humanitaire’ te bespreken. Ook bij hem kan men spreken van drie episodes: voor, tijdens en na de oorlog.

Gaston Brunschwig werd in 1872 te Parijs geboren. In het antisemitische Frankrijk gebruikte hij als zanger het pseudoniem Montéhus. Zijn teksten nemen het op voor de arme, vaak uitgebuite werkman, voor de ‘verworpenen der aarde’ zoals men in De Internationale zingt. Hij was, net als de socialistische politicus Jean Jaurès, die hoopte een nieuwe oorlog met Duitsland door diplomatie te kunnen voorkomen, een uitgesproken pacifist.
Wanneer hij in 1907 in het lied Gloire au dix-septième de lof zingt van het XVIIème Régiment d’Infanterie de Ligne, dan is het niet om hun militaire kunde maar om hun humanitaire houding tijdens een betoging van wijnboeren in Béziers op 18 juni 1907.

Gloire au 17eme
De soldaten weigerden te schieten op deze burgers. ‘Heil aan u, aan uw mooi gebaar’ zingt Montéhus, op muziek van Chantegrelet en Dubois, ‘Door op ons te schieten had u de Republiek vermoord’. Omwille van het succes van dat lied vroeg Lenin, die van 1909 tot 1912 te Parijs verbleef, aan Montéhus om voor zijn toespraken een recital te zingen. Lenin hield dan zijn toespraak na de pauze. Als pacifist schreef Montéhus in 1905 het lied La Grève des Mères. In dat lied riep hij de vrouwen op te weigeren de aarde te bevolken, hun vruchtbaarheid te stoppen. ‘Roept een staking van de moeders uit. Het kind waar u twintig jaar lang voor gezwoegd zult hebben om hem tot man te maken zal enkel dienen als kanonnenvlees en in een verschrikkelijke pijn aan het front sterven’ zong hij. Het lied werd bij juridisch besluit totaal verboden. De auteur werd veroordeeld wegens ‘aanzetten tot abortus’.

La Greve des Meres
Montéhus zong in het oorlogszuchtige Frankrijk meerdere chansons die regelrecht tegen de oorlogsretoriek in gingen. Titels als Marche de la paix en L’enfer du soldat spreken voor zich.

gloire_au_17o-3Dit alles neemt niet weg dat Montéhus, toen de oorlog een feit was, zich uitsprak (en uitzong) voor L’Union Sacrée, de beweging die alle Fransen, van welke overtuiging of stand ook, verenigde in de strijd tegen Duitsland. Door die spectaculaire en onverklaarbare ommezwaai heeft Montéhus veel aan populariteit ingeboet bij de overtuigde socialisten en communisten. Van sociaal bewogen pacifist werd hij plotsklaps een patriot die de oorlog aanprees. Op de melodie van De Internationale schreef hij, nauwelijks twee weken nadat de oorlog in Frankrijk was begonnen La guerre finale. Hierin verkondigde hij dat je oorlog moest voeren en hem winnen tot heil van het proletariaat. Nauwelijks enkele weken later zingt hij, op de melodie van Le clairon van Déroulède nota bene, Lettre d’un socialo. Daarin roept hij op om het zingen van De Internationale te laten rusten tot na de overwinning en voortaan de Marseillaise te zingen. Voor de vele krijgshaftige en militaristische liederen die hij zong tijdens de oorlog, waarbij hij zelfs als gewonde soldaat met omzwachteld hoofd durfde op te treden, werd hij na de oorlog onderscheiden met het ‘Croix de guerre’. Hij had niet één voet aan het front gezet. Een dieptepunt in zijn oeuvre is ongetwijfeld het lied Pan pan l’Arbi waarin hij, bedoeld als hommage wellicht, het lachwekkend Frans van de Afrikaanse strijdkrachten imiteert: ‘Pan pan l’Arbi / Moi suis content voir Paris / J’suis content c’est bézef bonno / A couper cabèche aux sales Pruscots / Car eux pas du tout pas gentils / A pas peur a pas peur Sidi / Si Pruscot venir, moi coupe kiki’. De chansoncriticus en zanger Marc Robine noemde dat lied effenaf verwerpelijk.
Na de oorlog heeft Montéhus niet meer gezongen tot hij in de jaren dertig steun betuigde aan het Front Populaire van Léon Blum. Hij stierf in 1952.
La butte rouge (de rode heuvel)Montéhus had een stuk van zijn erkenning door linksen en vredesactivisten teruggewonnen door het schrijven van het meest memorabele naoorlogs pacifistisch lied La butte rouge. Het was in 1923. Enkel Le déserteur van Boris Vian heeft in het genre, meer dan dertig jaar later, een grotere populariteit gekend. La butte rouge beschrijft een bloedige veldslag bij Bapaume in 1916. ‘Nu zijn er wijngaarden en groeien daar druiven. Wie deze wijn zal drinken zal het bloed van zijn makkers drinken.’ Het lied is ook in Nederlandse vertaling bekend. (zie hiervoor het artikel ‘De Grote Oorlog in liedjes’) Er zijn weinig geëngageerde zangers in Frankrijk die het lied niet op hun repertoire hebben gehad. Er bestaat geen opname door Montéhus zelf. De oudste, gekende opname van het lied dateert van 1931 en werd gezongen door Marty, tenor bij de opera van Monte-Carlo. Sinds 1955, het jaar waarin Yves Montand het opnam, zijn zeker meer dan twintig opnames door verschillende vertolkers bekend. Op ‘Vredesconcerten Passendale 1999’ werd het in het Frans gezongen door Patrick Riguelle op een arrangement van Henry Donnadieu, saxofonist bij Une Anche Passe. Kristien Dehollander had het al op het eerste vredesconcert in 1992 onder de Menenpoort te Ieper in een Nederlandse vertaling gezongen.

La butte rouge

In latere afleveringen zullen we in ‘La Grande Guerre in het Frans chanson deel 2 en deel 3’ ook chansons van tijdens en van na de oorlog bespreken.

2 Reacties
  1. Dufourmont Jacques
  2. Eric en Kathleen Dewitte