Leana & Hartwin – Kodu

Kodu
(Trad Records, TRAD006)

Sinds Leana Vapper (doedelzakken, fluiten, klokkenspel en zang) en Hartwin Dhoore (diatonisch accordeon) samen verblijven op het Estse eiland Saaremaa lag het steeds meer voor de hand dat ze er ook muzikaal als duo tussenuit zouden knijpen, hoewel Hartwins’ inbreng in het verhaal van Trio Dhoore uiteraard ook blijft staan als een huis.
Het lijkt of de naam die ze zich eerder toebedeelden, Estbel (zie hun eerste album Tähtede poole, Appel records APR 1356, 2015) ondertussen voorbehouden wordt voor bredere multiculturele bezettingen. Voor Kodu (‘Thuis’) bundelden ze een aantal liederen die Leana, op één traditional na, schreef vanuit haar – heel poëtische –  impressies rond dit schier maagdelijke eiland, waar fluisterende wouden, diepe moerassen en verstilde landschappen het kader scheppen.
Meteen dient gezegd dat naast haar instrumentale meesterschap ook haar stem gehoord mag worden. Verrassend is dat ze verkoos de Estse doedelzak even opzij te leggen en te kiezen voor een exemplaar van Olle Geris, naast fluiten van Jonathan Swayne. Onmiddellijk worden we gegrepen door de ruimte die het accordeon van Hartwin inneemt in de opener Sügis, dat ons de herfst aankondigt. De melancholische sfeer die hierin geschapen wordt zet zich door in Väike tamm (‘Kleine eik’).
Drie instrumentale, heel dansbare en ietwat blijmoediger nummers, treffen we ook op dit album, telkens gecomponeerd door Hartwin en geworteld in zijn Vlaamse geboortegrond.  Zo is er Koigi raba (‘Het moeras van Koigi’) dat de spits afbijt, door Leana afwisselend begeleid op fluiten en doedelzak, terwijl ze vol met doedelzak meestapt in Jäämeri (‘IJswandeling’). Verder genieten we nog van zijn weemoedige Kotkasulf (‘Arendsveer’).
Eenieder wenst wel eens dat zijn gedachten door de wind meegevoerd zouden worden naar diegene waarvoor ze bestemd zijn. Daarover handelt Mets (‘Bos’). Pittig vrijmoedig weerklinkt Tiivad (‘Vleugels’), waarvoor broer Ward aangetrokken werd voor een driftige gitaarbegeleiding. In het daarop volgende nummer, Siidilipp (‘Zijden zeilen’) treedt producer Jeroen Geerinck mee op de voorgrond, en met hem een ingenieus uitgewerkt klankengordijn op syntheziser, dat additionele glans verleent aan de atmosfeer van deze ballade.
Ook in de afsluiter Öökull (‘Nachtuil’) zorgen enkele bijkomende effecten, onder meer op de stem van Leana, voor een versterking van de dromerige sfeer, waarin de voortgang en eindigheid van het leven in metaforen gevangen wordt.
Opnieuw slaagde dit koppel de essentie van hun beider tradities naadloos met elkaar te verweven, waardoor telkens opnieuw meerkleurige muzikale impressies geschapen worden die, paradoxaal genoeg refereren naar de ‘stilte’ binnen hun huidige biotoop. Dit album is meer dan één herbeluistering waard.