Lieven Tavernier: ‘Vlaanderens best bewaarde geheim’

Chanson en kleinkunst interesseren je al lang. Je werkte mee aan ‘Tliedboek’. Het is sinds die tijd dat je ook liedjes schrijft. Hoe ben je daartoe gekomen? Heb je grote voorbeelden?
Tijdens mijn studententijd in de jaren zeventig in Gent kwam ik in aanraking met Tliedboek, een muziektijdschrift met zijn wortels in het Gentse universitaire wereldje. Tliedboek – zoals het in die jaren hoorde: een links, kritisch muziektijdschrift – heeft echt mijn ogen en oren geopend voor wat er toen vooral in Amerika aan muziek gemaakt werd. Je mag echt niet vergeten dat je over die opwindende muziek (ik denk lukraak aan The Incredible Stringband, The Young Tradition, Derroll Adams, Tim Hardin, Gram Parsons, ach, honderden en honderden nieuwe namen) ­werkelijk niets terugvond op de radio of in ­kranten. In ons land was er alleen Tliedboek om daarover te berichten. Via Tliedboek ontdekte ik verder het Amerikaanse folktijdschrift Sing-Out en ook Rolling Stone en was ik voorgoed verkocht.

© Foto: Johan De Meester

Ik werd van de wereld van de Vlaamse kleinkunst en het Nederlands cabaret, de enige die ik tot dan toe kende, echt gekatapulteerd naar een andere wereld. Die wereld van de kleinkunst leek me opeens zo onwezenlijk braaf, burgerlijk, zonder enige aansluiting met de wereld zoals je die als jong kereltje dient te zien. Ironisch genoeg kleefde men, omdat ik in het Nederlands zong, automatisch de term ‘kleinkunst’ op me. Dat was en is eigenlijk nog altijd vreemd voor mij; ik zelf zag me en zie me als singer-songwriter, de anderen zagen me als kleinkunstenaar. Maar ik neem aan dat dit ook voor het beste van Jan De Wilde of Kris De Bruyne geldt. Ook op hen kleeft dat vermaledijde stempel, het valt gewoon niet weg te schrobben. Omdat je Nederlands zingt, is het kleinkunst. Zo simpel maar ook zo idioot is het.

Mijn grote muzikale voorbeelden heb ik dus via Tliedboek gevonden. Ik ben een tijd redacteur geweest en nu, zo veel jaren na datum, stel ik vast dat mijn eerste artikelen die ik voor Tliedboek schreef bijvoorbeeld over de eerste van Randy Newman en de toen nog volslagen nieuwe en onbekende John Prine gingen. In John Prine had ik toch echt wel mijn zielsbroeder gevonden, denk ik. Goed, Dylan speelt natuurlijk in een nog hogere divisie, maar iemand als Prine, later ook Townes Van Zandt, leerden me heel veel over taalgebruik en vooral hoe een gitaar voor mij hoort te klinken; oh, dat heerlijk, altijd opnieuw gebruikte G-akkoord van Prine. Eigenlijk hebben John Prine, Van Zandt, Steve Earle, Gilian Welch me geleerd dat je je niet moet schamen voor een ogenschijnlijk eenvoudige song. Ik denk dat zulke ogenschijnlijk eenvoudige songs de moeilijkste zijn .

Je zong je liedjes niet zelf, althans niet op plaat. Was dat schroom? Plankenkoorts?
Neen, ik zong mijn eigen songs niet. Hier en daar was er wel een optreden, maar dan stierf ik omdat ik geen greintje vertrouwen had in wat ik tot dan geschreven had. In een flits hoorde ik dan iets van Tim Hardin bijvoorbeeld en dan dacht ik: “Maar wat bezielt je om op een podium te gaan staan? Ga naar huis uw huiswerk opnieuw maken en kom dan later nog eens terug.” Zo lang ik thuis kon knutselen aan songs was ik tevreden. Het maken, het proberen, daarin stak ik al mijn liefde en mijn energie. Maar ermee naar buiten komen? Liever niet. Ik deed het af en toe om vrienden te plezieren, maar eigenlijk had ik dat niet moeten doen. Ik herinner me dat Jan De Wilde lang geleden in een televisieoptreden over mij en mijn eeuwig twijfelen zei: “Ge kunt ook té lang wachten en dan is het voorbij.” Ik heb dat toen niet geloofd en ik geloof het nog altijd niet. Ik kan wachten. Er is schoonheid in wachten. Ik ben blij dat ik al die jaren in alle stilte heb kunnen knutselen en proberen en opnieuw proberen.

Klopt het dat je muziek evolueerde van heel veel ‘country’ naar meer rustgevende melodieën en meer sobere begeleidingen met nu eens de piano, dan weer de slide-gitaar of het accordeon als hoofdinstrument. Maak jij die keuze of is dat groepswerk met je muzikanten?
Ik vind niet dat ik geëvolueerd ben van country naar, wat jij noemt, ‘meer rustgevende melodieën’. Het is natuurlijk een breed-spectrum-term als je country wilt omschrijven. Zodra je een pedal steel of viool gebruikt zit je al in country. Doe het licht, de eerste cd uit ’95, ja, die was inderdaad country gericht. Ik was toen erg onder de indruk van The Pink Flowers, de groep opgericht door Bruno Deneckere. De kennismaking met Bruno Deneckere is voor mij wel heel belangrijk geweest; hij was een heel pak jonger dan ik maar toen ik hem ontmoette, kende hij ongeveer alles van Hank Williams, Woody Guthry, Dylan, blue grass, enz. Met Bruno en zijn kompaan Nils De Caster hebben we talloze nachten dat soort nummers gespeeld met de flessen en de sigaretten binnen handbereik. Patrick Riguelle was producer van de laatste cd van The Pink Flowers en toen Walter Ertvelt mij de kans gaf zelf een cd uit te brengen, heb ik Riguelle als producer gevraagd.

Als ik er nu op terugkijk zou ik Doe het licht nu wel veel ‘lichter’gemaakt hebben. Ik bedoel echt letterlijk ‘lichter’, want er staat veel te veel op. Dat is het leergeld dat je betaalt, denk ik. Ik moest leren alleen mijn zin te doen en niet die van iemand anders. Vanaf Ilja was Nils De Caster producer en durfde ik meer en meer zelf bepalen hoe een song diende te klinken. Voor mij is Nils de ideale producer omdat er bij hem geen ego in de weg staat en hij technisch kan vertalen wat ik wil. Beiden zijn we liefhebber van ‘less is more’. Als je daarmee ‘rustgevend’ bedoelt, dan snap ik het wel. Hoe minder ballast aan een song hangt, hoe meer ruimte hij krijgt. Gilian Welch is daarvan, voor Nils en mij, een schitterend voorbeeld.

© Foto: Muziekburo Klesie

Herinneringen zijn je blijkbaar erg dierbaar. Je liederen verwijzen vaak naar je kindertijd met daarin zowel vreugde als droefheid. Steeds roep je emoties op. Ook de vrouw en jeugdliefdes komen op een milde manier aan bod.
Ja, blijkbaar zijn herinneringen mijn werkmateriaal. Het was aan anderen om me daarop te wijzen, zelf had ik dat niet eens in de gaten. Ik ben ook niet heel gericht op zoek naar herinneringen. Blijkbaar vinden zij mij, niet ik hen. Herinneren is achterwaarts leven. Het leven voorwaarts is er sowieso. Die herinneringen lijken soms op mijn bureau: een hopeloos rommelige stapelruimte waarin alleen ik nog mijn weg terugvind. Altijd zijn er de pogingen om daar wat orde in te brengen en telkens zijn dat de momenten van ontdekkingen. Het ligt er allemaal, het heeft er altijd al gelegen, alleen vind je op dat ene moment dat verloren gewaand boek opeens terug. Ik ben benieuwd wat er nog allemaal zal naar buiten komen en wanneer dat zal gebeuren.

Laatste trein naar M op de jongste cd Wind & Rook is daar een mooi voorbeeld van. Meer dan twintig jaar zat die song in mijn hoofd, al die tijd allemaal fragmenten die ik niet bij elkaar kon brengen. En dan, twee maanden voor de opnames stond die song er op één dag tijd. De song schreef bijna zichzelf zonder dat ik er mij mee bemoeide. Allerlei fragmenten die ik al die tijd meegenomen had, telden opeens niet meer mee. De figuur van de treinbestuurder had twintig jaar lang nauwelijks een plaats gekregen in dat verhaal en op die ene dag werd hij opeens een centrale figuur. Ik wist niet waarom hij opeens zo veel plaats innam die dag. Nu pas, zoveel maanden na die ene dag begin ik te begrijpen wie hij is.
Gogol schreef dat de mens geen duizendste van zijn ziel kent. Ah, de goede Gogol!

Je bekendste nummer is ongetwijfeld De fanfare van honger en dorst. Wanneer schreef je dat nummer? Het werd voor zover mij bekend, het eerst opgenomen in 1984 door Lieve Van Mileghem. In 1990 zette Jan De Wilde het op zijn cd Hè Hè samen met nog twee nummers van jou. Sindsdien behoort het tot de mooiste nummers in het Nederlands chanson. Het werd ook opgenomen door Jenny Arean (1992) en door Gerard van Maasakkers (2000). Een eigen vertolking door Lieven Tavernier op cd ontbreekt. Leg me dat eens uit.
Het is een lange geschiedenis. Ik heb het kort na mijn universitaire studies geschreven, maar het was voor mij een nummer dat naast alle andere in de schuif lag. Ik heb ook nooit gedacht dat het zo een plaats zou innemen. Daar er in die tijd geen enkele platenfirma in mijn nummers geïnteresseerd was, en ik zelf niet de stap durfde te wagen in eigen beheer op te nemen, wou ik de nummers dan maar weggeven aan Raymond van het Groenewoud of Kris De Bruyne. Maar ik kende hen niet persoonlijk en durfde niet zomaar aanbellen met mijn liedjes. Jan De Wilde kende ik wel. Hij was indertijd een fervent lezer van Tliedboek en zo ben ik als toenmalige redacteur met hem in contact gekomen. Hij werd een van de weinigen die ik mijn songs liet horen. Hij hield ervan, vond het zonde dat ze in de kast bleven liggen. Ik wist dat mijn songs bij hem in goede handen zouden zijn en daarom heb ik hem De fanfare en Eerste sneeuw en De verdwenen karavaan gegeven.

Na het succes van Hè Hè werd het voor vrijwel iedereen een De Wilde-nummer. In het beste geval vermeldde een persjongen mij als tekstschrijver, maar dat was zeldzaam. Ik heb dat ook nooit een probleem gevonden, eerst omdat De Wilde er een zeer mooie versie van maakte en ook omdat ik vind dat een song, zodra hij in het publiek komt, op zichzelf moet staan. De song moet zijn weg zoeken en vinden zonder behulp van zijn vader of moeder. Ik heb er overigens ook nooit bij stilgestaan dat die song sowieso ooit zou gecoverd worden. Het leek me zo aan Gent gebonden dat het nooit Gent zou buiten geraken. Maar blijkbaar speelt die Gentse background niet zo een belangrijke rol, maar herkennen velen dat verlies van die prachtige studentenjaren, de spannende wachttijd vooraleer het ‘échte’ leven begint.

De cover van De Wilde leek met het succes van zijn Hè Hè de enige versie te zijn. Het had geen zin, vond ik, een andere versie, mijn versie, te maken. Ik gunde hem van harte het succes omdat hij met heel veel liefde en zorg die song bekend had gemaakt. Diep in mij wist ik dat ik die song moest laten rusten, hem de tijd diende te geven om uit de schijnwerpers van zijn coverversie te komen. Ik heb je al gezegd dat ik van wachten hou? Nee? En het is nog maar twee à drie jaar dat we live mijn versie spelen bij optredens. En eigenlijk zijn mijn muzikanten en ik bang de song op te nemen, omdat hij nu bij elk optreden voor ons nog anders klinkt, nog altijd nieuw, in staat geboren te worden. Het lijkt alsof we elk telkens toekijken hoe die song die avond zijn weg zal vinden. Ooit moet een cd-opname ervan maar gebeuren. Maar daarover beslist de fanfare zelf.

© Foto: Johan De Meester

Je zingt bijna uitsluitend eigen liederen. Maar toch grijp je enkele keren naar nummers van anderen: muziek van Dolly Parton, een vertaling van (de mij onbekende) Jacques Verniers en een Gentse aanpassing van Hollywood van David McNeill. Heb je een bijzondere reden om die auteurs die eer te bewijzen?
Ik voel me niet echt geroepen om andermans materiaal te zingen. Ik heb het altijd moeilijk met vertalingen, ik zou niet weten wat daar het nut van is. Maar als je een song in je eigen leefwereld kan binnenbrengen, dan wel.
Coat of many colors van Dolly Parton op Doe het licht heb ik helemaal omgebogen naar een eigen jeugdherinnering aan een oude Gentse klederenwinkel: De gouden schaar. Ook Hollywood van David McNeill is een zeer vrije overzetting van een Parijse naar een Gentse scène. Ik kocht lang geleden zijn eerste plaat in een obscuur Frans winkeltje en was er zeer door gecharmeerd. Veel later hoorde ik dat hij de zoon van de schilder Chagall is en veel liedjes voor anderen schrijft.

De enige uitzondering is Joshua van Jacques Verniers op Ilja. Dat is dan wel een hele trouwe Nederlandse vertaling van die song. Ik vond en vind het een hele goede song, ietwat verwarrend en onbeholpen liefdevol. Verniers is een oude studievriend van me die nu universiteitsprof is in Gent. In onze jeugdjaren dweilden we samen allerlei talentenjachten af. Verniers viel altijd in de prijzen, en terecht. Hij was een echt natuurtalent die in het Gents en het Engels schreef. Omdat niemand ooit nog iets van zijn prachtige nummers zal horen vond ik dat ik iets moest redden van dat verloren bezit.

Bij een optreden geef je de indruk niet erg op je gemak te zijn op het podium. Klopt dat of is het een manier van omgaan met je publiek?
Ik heb het moeten leren, optreden. Tot groot jolijt van mijn muzikanten ben ik onmenselijk zenuwachtig voor het optreden. Zij kunnen je wel behoorlijke verhalen daarover vertellen. Ik ga altijd naar het podium met de idee dat ik het niet kan, dat mensen meteen zullen zien dat ik bijvoorbeeld een akkoord niet op het juiste moment gespeeld heb, dat die mi-snaar niet zuiver was. Ik vind probleemloos duizenden redenen om mezelf te kelderen. Ik weet dat het niet gezond is, maar het is blijkbaar sterker dan mezelf. Soms gaat het de goede kant uit als ik zo weinig mogelijk let op wat ik doe en me voor ogen houd dat ik er niet alleen ben, maar dat mijn muzikanten met mij muziek maken, dat wat nu gebeurt straks al weg is en dat ik van dat ene moment leer genieten. Soms is het genieten, meestal nog leren genieten.

Discografie:
Doe het licht
Ilja
Niet voorbij (distributie: LC Music)
Wind en rook (distributie: LC Music)
alle cd’s zijn te bestellen via de website:
www.lieventavernier.com

Het citaat ‘Vlaanderens best bewaarde geheim’ is geleend van Dirk Fyns/De Tijd.

© Dit artikel verscheen eerder in New Folk Sounds 117 (juni/juli 2008) en wordt in het kader van de folkcanon opnieuw gepubliceerd.

Tags:,