Luka Bloom – Head and heart

bloom head & heart

Head and heart
(
VVNL 25742 / V2)

Jazzy getinte folkalbums zijn voor folkvocalisten en singer/songwriters geen onneembare hindernissen. Zo bracht de Britse folkdiva June Tabor ooit het fraaie Some other time uit. Misschien wel het allermooiste jazzalbum door een folkartiest is Joy Mining van Iain Matthews  & Searing quartet. Ook Luka Bloom slaat zijn vleugels uit. Toch kan je Head and heart moeilijk een jazz(y) album noemen. Geen standards die bewerkt zijn, geen pure jazz composities. Wel bewerkingen met een trio, bestaande uit pianist Phil Ware, contrabassist Dave Redmond en drummer Kevin Brady. Met name die laatste is uiterst subtiel, bijna niet hoorbaar bezig. De piano van Ware is dominanter aanwezig, terwijl de contrabas doet wat van zo’n instrument verwacht wordt. Maar weer niet alle nummers werden met die trio geregistreerd. Vijf anderen werden solo – Bloom zang en gitaar – opgenomen. De laatste track is een duo van Bloom met pianist Paul Wade. En laat nu deze My wild Irish rose, een Amerikaans musicallied van eind 19e eeuw, de aanleiding zijn geweest voor dit recente project. Het is klein gebracht en dat maakt de uitvoering aanvaardbaar. Meer moeite heb ik met bijvoorbeeld de titelsong, die dik aangezet is, toch niet de dynamiek kent die het nummer nodig heeft en tegelijkertijd Blooms zwakke punt op dit album toont, namelijk de vocalen. Op een of andere manier lijkt het alsof hij er – niet alleen in dit nummer – net tegenaan zit en geforceerd glissandi en toonwisselingen doorworstelt. Ik kan ook geenszins de meerwaarde van de bewerkingen van bekende nummers als Danny boy, First time ever I saw your face (Ewan MacColl) en het melige And I love her so (Don MacLean) ontdekken. John Hartfords Gentle on my mind, bekend van Glen Campbell, is net zo’n sentimenteel nummer, maar hier wel intens gebracht. Sterker is de uitvoering van Every grain of sand (Dylan), waarbij juist de sterke punten van de Ier naar boven komen: slow ballads op een zeer gedreven, intense manier spelen. Afsluiter The joy of living (opnieuw MacColl) is eveneens zo’n knappe bewerking. Rest nog een aantal eigen composities die het album toch niet boven de middelmaat kunnen tillen.