Mara Aranda, ambassadrice van de Sefardische muziektradities

De Valenciaanse Mara Aranda, die in 1998 samen met Efrén López aan de wieg stond van L’Ham de Foc, dat een decennium lang trendzettend bleek op het vlak van wat je akoestische fusie van muzikale tradities, kreeg steeds meer de microbe te pakken van de Sefardische muziek.

Daarmee pakte ze aanvankelijk vooral uit binnen het Al Andaluz Project, waarvoor ze samenwerkte met de Duitse groep Estampie, en het Marokkaanse duo Iman Kandoussi (zang) en Aziz Samsaoui (kanun). Het was er dit ensemble om te doen aan te tonen hoe Moorse, Christelijke en Sefardische muziektradities in het middeleeuwse Al Andaluz voor 1492, vreedzaam co-existeerden en elkaar zelfs behoorlijk wisten te bevruchten. Aranda zelf is gaandeweg, mee door haar samenwerking met de Capella de Ministrers (onder leiding van Carles Magraner), nog meer het accent gaan leggen op de ‘oude’ uitvoeringspraktijk,… van de ‘Spaans’-Joodse zangtraditie.
Via twee onlangs uitgegeven albums, met historisch rijk – in het Spaans en Engels – gedocumenteerde booklets wordt ons de kans geboden dit niet te verwaarlozen stukje geschiedenis beter te leren kennen. Ze vormen de eerste delen van een serie die ons meer zicht moeten bieden op het rijke muzikale repertoire van de Sefardische joden in diaspora.

 

Sefarad en el corazón de Marruecos (Pilgrim Records)

Deze cd illustreert hoe de Sefardische Joden, eerder al samenwerkend met de Moren, vanaf het einde van de 14de eeuw in steeds grotere getale naar Noord-Afrika migreerden onder de toenemende repressieve druk van de Christenen. In een uitermate goed uitgekiende bloemlezing vertolkt Aranda de rijkdom van het muzikale repertoire dat de Sefarden in Marokko binnenvoerden en verder ontwikkelden. Ze verzamelde een zevental ballades, naast een hagiografisch couplet (een heiligenlied dus) en enkele volkse liederen, huwelijks- en wiegeliederen. Hieruit blijkt ook dat via mondelinge overlevering een uitgebreid repertoire aan romances, daarvoor in Spanje ontstaan, de overtocht wisten te overleven. En met deze hommage zelfs tot op vandaag.
Rond haar schaarde zich een negental (multi)instrumentalisten, waaronder Jota Martínez (onder meer draailier, organistrum, luiten, gitaren), Aziz Samsaoui (kanun), Fernando Depiaggi (ney) en Chelo Romero die diverse percussie-instrumenten hanteren. Een heel breed en divers klankenpalet dient zich aan als een heerlijke saus waarin de stem van Mara nog rijker uit oprijst.
Het is de kanun die de intro draagt van een eerste huwelijkslied El marido carpintero (‘De timmerman’), een eerste voorbeeld van hoe de Sefardische lyriek heel snel verweven is met die van het middeleeuwse Spanje. In het plechtstatige Una hija tiene el rey (‘De koning heeft één dochter’) zijn het vooral theorbe en gamba die de instrumentale laag stofferen. De toon, ingezet door ney, is zoals te verwachten, nog melancholischer in La partido del esposo (‘Het vertrek van de echtgenoot’). Ook in het hoogtepunt Búcar sobre Valencia is de oorlogsdreiging sterk voelbaar. Met een ander huwelijkslied Decilde a mi amor (‘Zeg aan mijn geliefde’) biedt dit album ruimte aan een thema met een hoog evergreengehalte.
Opvallend is dat heel wat Middeleeuwse pan-Europese thema’s ook binnen het erfgoed van de Sefardische Joden opduiken. Muerte que a todos convidas (‘De dood komt er voor iedereen’) is eerder een narratief gedicht dan een romance. Deze klaagzang, vaak door de vrouwen gezongen tijdens begrafenissen, krijgt hier een extra dimensie door de vocale inbreng van het kamerkoor Eli Hoshaná ‘ciudad de Lucena’. Een buitenbeentje vormt de romance La infantina (‘Het kind’) omdat het een van de enige liederen is met een plot met een magische wending. Zowaar ook een Heiligenlied dat het verhaal ontrafelt van Sol Hachuel, een Joodse vrouw die in 1834 onthoofd werd nadat ze weigerde zich tot de islam te bekeren. Dit staat wel schril in contrast met het heel ondeugende El ignorante afortunado (‘De gelukkige onwetende’), dat vaak weerklonk in Tanger en boordevol amoureuze allusies steekt. Ook de afsluitende Nanas marroquíes (‘Marokkaanse wiegeliedjes’) zijn niet te versmaden.

 

Sefarad en el corazón de Turquía (Pilgrim Records)

Karen Gerson Sarhon, is als Sefardisch Joodse directeur van het Ottomaans-Turks Sefardisch Cultureel Onderzoekscentrum in Istanbul. Er is haar dan ook veel aan gelegen om ademruimte te waarborgen voor de Turks-Sefardische volksliederen binnen een wereld die overspoeld wordt door de klassieke Turkse muziek. Van deze laatste ondergaat ze hoe dan ook een vruchtbare invloed, wat geleid heeft tot een weer een andere benaderingshoek van het Sefardische lied.
Na de exodus uit Spanje vonden veel Sefarden elkaar terug in onder meer Anatolië en Tracië, waar ze nieuwe gemeenschappen stichtten ‘maalles’ die tot de late 19de eeuw nauwelijks invloeden van buiten toelieten. Ook het Judeo Spaans oftewel Ladinos bleef er de moedertaal.
Deze cd biedt ons een inkijk in drie grote ‘lokale’ traditionele genres, de ‘romances’ (lees ‘ballades’ of ‘lyrische liederen’), de ‘coplas’ of volksliederen, en de cantigas, middeleeuwse monofonische liederen. Vanuit dit genre dat we verder kunnen omschrijven als strofisch zonder een vastgelegde ordening van de verzen, lyrisch de liefde, sentimentele gevoelens, amoureuze ontgoochelingen, bezingend, blijft onder meer Misfuegra (‘Mijn schoonmoeder’) hangen, waarbij het er meteen bovenarms op zit tussen schoonmoeder en -dochter. Een vrij universeel thema dus.
Cantigas behoren voorts vooral grappig en onderhoudend te zijn. Daarvan is Las bodas de la pulga i el piojo (‘Het huwelijk van de vlo en de luis’) een niet mis te begrijpen voorbeeld. De romance Tres damas (‘Drie dames’) bouwde uiteindelijk verder op een Griekse ballade. Heel triest, onder ingehouden kanuntokkels, weerklinkt een andere, Muerte del duke de Gandia (‘De dood van de hertog van Gandia’), het drama verhalend rond de moord op Juan (Giovanni) Borgia is duidelijk na de exodus van de Sefarden naar Turkije tot bij hen gekomen. Wellicht werd ze opgepikt tijdens handelsmissies in de Italiaanse gebieden. El dolor del desenganyo (‘De pijn van de ontgoocheling’), is een cantiga waarvan het thema, hoewel in oorsprong Sefardisch, doorheen de eeuwen heel wat avonturen beleefde. In opnames dook het voor het eerst op in de jaren twintig van vorige eeuw binnen de Griekse Rebetiko, later kwam er een surf-rockversie die deel uitmaakte van de soundtrack van Tarantino’s Pulp Fiction.
In Asentada en la ventana/El amor afinete (‘Voor het raam gezeten/De pijnlijke liefde’) ontspint zich een vocale dialoog tussen Mara en Liliane Benveniste, een Argentijnse diva die ook al vaker de Sefardische paden bewandelde. Een vrolijker liefdeslied treffen we in Entre las guertas (‘In de boomgaarden), en één van de vele liederen die zowel aan Griekse als aan Turkse kant een mooie toekomst wachtte. Coplas zijn meestal het product van liedjesschrijvers die in de pen kropen in functie van het opluisteren van Hebreeuwse feesten, en waarbij de bedoeling erin bestond de Joodse waarden en de inhoud van het Judaïsme over te brengen aan wie geen hebreeuws kon lezen. Een eerste voorbeeld, Alevanta Mordecai is een van de vele volksliedjes die Purim bezingen, het feest dat de redding van de Joden in het Oude Perzië herdenkt. Deze versie werd mee opgeluisterd door het Sefardisch kinderkoor Estreyikas d’Estambol. Heel sober op ney begeleid druipt het moraliseren er af in Dialogo entre Dios i el alma (‘Dialoog tussen God en de ziel’), en het hoeft ons niet te verbazen dat ook Las mujeres i el sabado (‘De vrouwen en de sabbat’) bol staan van de leefregels.
In beide binnen deze reeks gerealiseerde bloemlezingen werd heel veel belang gehecht aan de tijdsgerelateerde zangpraktijken, terwijl ook binnen het brede palet aan beschikbare instrumenten telkens weer goed doordachte keuzes gemaakt werden. Bepalend hierbij is ongetwijfeld de inbreng van multi-instrumentalist (en instrumentenverzamelaar) Jota Martinez.