Nederlandstalige roots?

Cadans der getouwen brengt liederen van dicht bij huis

Op het International Folkfestival in Tilburg mochten we van een voorproefje genieten. Maar op het Folkfestival van Dranouter beleeft Cadans der getouwen zijn absolute première, gekoppeld aan de presentatie van de gelijknamige cd. Toch wat merkwaardig dat een Nederlands project over de landsgrenzen moet voor de nodige aandacht en waardering. Guy Roelofs zit op zijn praatstoel en verhaalt enthousiast over een werkstuk dat hopelijk een impuls geeft aan de Nederlandstalige volksmuziek.

© Foto: Jan van Eerd

‘Een tijdje terug vond ik het boekje Spin en weversliederen van Van Delft. Dat heeft me op het spoor gezet. Maar de directe aanleiding voor Cadans der getouwen is waarschijnlijk mijn eigen achtergrond. Mijn ouders hadden vroeger een textielfabriek in Gemert, A.W. Roelofs Confectie Industrie N.V., dat destijds door mijn opa is opgezet. Ze maakten schorten, totdat de productie verhuisde naar lage lonen landen en de klad er in kwam. Het werd steeds moeilijker voor die kleine fabriekjes om het hoofd boven water te houden. Je had toen weinig keus. Als je wilde overleven, moest je specialiseren. Mijn ouders zijn toen bedrijfskleding gaan maken voor bedrijven als Spar en zo. Dat viel samen met een periode waarin organisaties oog kregen voor identiteit en herkenbaarheid en hoe je dat naar buiten brengt. Logo’s werden bijvoorbeeld een begrip. Gemert draaide voor een groot deel op de textielindustrie. Je had daar ook een hoogwaardige weverij, Raaijmakers, die specialistische stoffen voor klederdracht maakte. Ik ben dus opgegroeid tussen de naaimachines en weefgetouwen. Ik heb daar een prachtige tijd beleefd en goede herinneringen aan mijn jeugd. Cadans der getouwen heeft dus niets te maken met een ‘soul searching’, een persoonlijke verwerking van een verleden. Dit is gewoon een onderdeel van mijn muzikale ontwikkeling.’

Ontdekking van de zelfspot
Spin en weversliederen was dus het startpunt. Daarna ging de muzikant uit Breda op zoek naar meer liederen over de textielindustrie en textielwerkers. Er is ontzettend veel materiaal te vinden volgens Roelofs, waar tot zijn verbazing weinig mee wordt gedaan. ‘Het Meertens Instituut heeft een uiterst waardevolle verzameling. Maar daar komt bijna niemand. De keren dat ik er op bezoek ging kreeg ik de volste begeleiding, zelfs de koffie werd voor je klaar gezet. Ze hadden zoiets van “goh, daar heb je er een”.

Sinds 1994 ben ik aan het verzamelen en zoeken. Met het gevonden materiaal kan ik nog wel tien cd’s vullen. En dat is dan met wat overblijft nadat het allemaal door de zeef is gegaan. En ik heb een stevige selectie gemaakt. Uit de spin- en weefliederen en die thematiek hield ik er op de honderd liedjes drie over.’ Roelofs maakt daarbij wel een kanttekening. Waar de tekst interessant was, maar er geen of geen passende melodie voor handen was, componeerde hij zelf een nieuwe melodie. Van de negen liederen op de cd werden er zo vier van een gewijzigde tune voorzien. Bij de teksten greep hij nauwelijks in. Soms werd een te gekunstelde rijm aangepast, waarbij de zangers hun inspraak hadden. Maar er werden geen inleidende, afsluitende of ingelaste coupletten toegevoegd.

© Foto: Jan van Eerd

Was er nooit de behoefte om een ‘terugblik’, vanuit het heden te (be)schrijven. ‘Die is er wel geweest. Ik heb samen met Peter Koene geprobeerd om een tekst te maken, een soort retrospectief over het leven en werk van de spinners en wevers. Iets in de trant van Aragon Mill van Si Kahn. Maar ik kreeg dat op een of andere manier op de cd niet ingepast. We spelen we het wel live in de set.’ Roelofs vertelt dat er een soort natuurlijk verloop in de liederen zit, van heel oud (15e eeuw) tot de eerste socialistische aanklacht tegen kinderarbeid aan het begin van de vorige eeuw (Kinderen der fabriek).

Behalve in tijdperken zijn de liederen eveneens in te delen in categorieën naar thematiek of onderwerp. De initiatiefnemer van Cadans der getouwen ontdekte dat het grootste aantal liederen over wevers en spinners spotliederen zijn. ‘De maatschappelijke status van deze werklieden was heel laag’. Opvallend genoeg blijkt dat in de meeste werkliedjes evengoed de spot gedreven wordt. ‘Wevers waren zich terdege bewust van hun positie. Meestal zongen ze dat soort liedjes over hun eigen werk- en leefomstandigheden dan ook uit ironie en als een soort zelfbehoud, want er moest brood op de plank komen. Vandaar dat je die rare frasen als la di da di doms en klits klats in zulke liederen tegenkomt. Een vorm van mouth music wellicht ja. Vaak zijn dat niet van die verheven teksten, maar de ritmiek speelt de hoofdmoot. Als je dat snel achter elkaar zegt heb je bij wijze van spreke een rap! Later kreeg je meer de liederen in de sociale sfeer, over de onderdrukking van de wevers en spinners. Over kinderarbeid, etc.

Heel oud zijn de functieliederen. Die stammen nog uit de oude tijd van gilden en ambachten, waarin het weven als een ambacht werd beschouwd. Die verhalen dan over het maatschappelijk nut van wevers als makers van kledij die iedereen toch nodig had. Behalve spot-, werk- en sociale liederen kennen we liedjes waarin de positie, het werk of bestaan van wevers en spinners zijdelings aan de orde komen. ‘Zo zijn er bijvoorbeeld de liederen waarin meisjes een keuze moeten maken uit vrijers. Meestal wordt dan voor de landman gekozen. Niet voor de wever. Of liederen waarin de vrouw spinster is en de man visser (bijvoorbeeld het bekende O dag, lang gewenste dag. MR)


Geschiedenis
Ondanks dat de Bredanaar een stuk historie verhaalt, heeft hij niet het idee gehad om een stuk geschiedenis te schrijven. ‘Kijk, wat ik heel intrigerend vind is dat de tijd waarin we leven een enorme overaandacht schenkt in wat voor ons ligt. De toekomst moet het allemaal gaan brengen. Terwijl ik heel sterk de overtuiging heb dat je je geschiedenis moet kennen wil je iets goed met die toekomst kunnen doen. Er moet een lijn vanuit het verleden liggen en je moet vooruit willen blikken. Volksmuziek is traditionele muziek en houdt in dat er een weg naar het verleden ligt. Je onderzoekt je eigen roots, dat is voor mij inherent aan het bezig zijn met volksmuziek. Dat zal echter niet voor iedereen zo zijn. Maar het is zeker niet mijn pretentie om een stuk geschiedenis te schrijven. Ik hoop dat een heleboel oude dingen die ik interessant vind, kan laten horen aan anderen. Het is een deel van mijn geschiedenis en die van jou. Het zijn je roots. In ken natuurlijk die thematiek van deze spin- en weefliedjes omdat ik daar nauw bij betrokken ben geweest. Maar je moet waken voor de val van de geschiedenisschrijver, die bijvoorbeeld alle details weet over de werkomstandigheden van de wevers in pakweg 1880. En zo zijn er nog drie gekken. Ik zie het ook niet als een document In eerste instantie gaat het mij om een fijne muziek te maken en een leuke plaat maken, al gaat het wat verder dan zomaar een verzameling liedjes. Dat is het leuke weer van zo’n projectvorm, want door die thematiek zit er wel degelijk een rode draad in.’

Projectvorm
Guy Roelofs koos voor de muzikale uitvoering bewust voor een projectvorm en niet voor de opvoering met een vaste, bestaande groep. ‘Als muzikant ontmoet je een heel vaak collega’s en met enkelen ontstaat dan zoiets als “leuk, we moeten eens iets samen doen”. Maar je kent dat. Daar komt nooit zoveel van. Iedereen heeft het druk met zijn eigen bezigheden. Dit project leent zich daar wel voor. Het is overzichtelijk, te overzien. Je zit er geen jaren aan vast. Het wordt nu uitgevoerd en je houdt het zo’n twee jaar gaande. Daarna is het gewoon afgelopen.

Ik heb mensen benaderd die ik als muzikant zag zitten’. Roelofs benaderde onder andere Brusselaars Rudy Velghe (viool, nyckelharpa) en Raquel Gigot (trekzak en accordeon) van Orion. Voor de zang werd Gerard van Maasakkers aangezocht. ‘Gerard had een sabatical year ingebouwd en had zin en tijd, vooral omdat de thematiek hem aansprak.’ Een tweede vocale rol is er voor de jonge, veelbelovende Vlaamse zangeres Anja van Reeth (Trad arr), waarmee Cadans der getouwen zowaar toch een beetje een internationaal karakter krijgt. De groep wordt gecompleteerd door fluitiste Jenny van Diggelen (Grond), Annemiek van de Geijn (keyboards), Bart Wouters (bass, contrabas) en Michiel van den Boer (drums).

‘Nee, we gebruiken weliswaar toetsen, bas en drums, maar ik zou het geen folkrock willen noemen. Dat impliceert dat je folk en rockelementen gebruikt, maar ik gebruik geen rockachtergronden naar mijn gevoel. Dat is wat anders als bijvoorbeeld Fairport Convention. Of Kadril, dat noem ik echte folkrock. Donal Lunny of Varttina noem ik geen folkrock. Ik benader die bass en drums vanuit een volksmuziekpositie. Michiel (van den Boer, drummer in Cadans der getijden) heeft inderdaad hardrock gespeeld. In Tilburg speelde hij met een dubbele bassdrum, waardoor veel mensen dachten dat hij een typische hardrockdrummer was. Maar hij is erg veelzijdig, wil alles proberen. Hij speelt zo ook percussie in een Hawaïaanse band. Hij zit echt niet vast aan een bepaald stramien.’

© Foto: Jan van Eerd

Voortrekker?
Cadans der getouwen is de enige Nederlandse inbreng op het komende Dranouter festival. Roelofs vertelt dat de Nederlandse festivals – nog – niet warm lopen voor het project wellicht illustratief voor hoe het er met onze eigen volksmuziek voor staat. Bovendien verschijnt de cd op het Vlaamse Wild boar label… In het verleden was hij een gedreven muzikant die zich stortte op de Ierse muziek. Ooit werd de bouzoukispeler de Nederlandse Donal Lunny genoemd. Nu gaat zijn hart uit naar het Nederlandstalige volkslied. Daarin is hij even gedreven en strijdlustig. Vragen naar waarom die folk in eigen taal in België wel aanslaat en een weg vindt naar een breed publiek, maar in Nederland nauwelijks is zowat een open deur intrappen.

Een selectie uit de opmerkingen: ‘In Nederland hebben we geen structuur. In België is het een gewone zaak dat folk in de Culturele Centra (theaters) wordt geboekt. Hier hebben we dat nauwelijks. Dat komt wel. Je ziet dat de belangstelling voor wereldmuziek langzamerhand naar binnen trekt. Was het eerst zo ver mogelijk weg, Tibet, Aziatische landen en dergelijke, nu zitten we – al weer terug – in Spanje, Portugal of Bulgarije.

En we moeten de hand in eigen boezem durven steken. Groepen moeten meer aan de weg timmeren. En professionaliseren: weg van dat rare imago dat folkbands hebben. Dat er niks deugt. Kapotte installatie, drie akkoorden kunnen spelen, bier drinken en vermaak. Maar daar heb je het weer, dat moet van twee kanten komen. Ook organisatoren moeten de ruimte bieden aan groepen om zich te kunnen ontwikkelen. Vaak blijven groepen hangen in een café-omgeving omdat dat de enige plek is waar ze kunnen spelen. En voor de baromzet moet je immers veel ambiance brengen. Daarom zijn kleinere podia zo ontzettend belangrijk. Daar kan je rijpen, je ontwikkelen. Maar die zijn er weer te weinig. Er is geen structuur zoals bijvoorbeeld in Engeland. De media – en dan vooral de radio – stimuleert niet en dan zit je in die vicieuze cirkel. In Nederland zijn er tevens weinig bands met Nederlandstalige volksmuziek die echt aanspreken. Er is geen voorbeeld waaraan jongeren zich kunnen optrekken’. Fungeert Guy Roelofs in dat proces als voortrekker? De zelfrelativering komt om de hoek. ‘O God nee. Ik ben met leuke dingen bezig, maar voortrekker? Ik heb nog niet iets wezenlijks neergezet. Fred Piek: ja. Gerard van Maasakkers: ja. Maar Guy Roelofs? Als ik met dit project een zetje in de goede richting kan geven, dan ben ik al meer dan tevreden.’

* © Dit artikel verscheen in New Folk Sounds 70, augustus/september 2000 en wordt nu gepubliceerd in het kader van de folkcanon