Ossian

De debuutelpee werd vernoemd naar de groep. Zowel die groep als het album werden een begrip op het gebied van de Keltische folk. We hebben het dit keer in het Meesterwerk over het Schotse Ossian.

ossian

Halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw was de Britse folkrock over zijn hoogtepunt heen. Maar mede door de populariteit van groepen als Fairport Convention, Steeleye Span en onze eigen Fungus was er in ons land een flinke basis gelegd voor de interesse in folkmuziek van de Britse eilanden. Langzamerhand verschoof die belangstelling naar de akoestische folkmuziek uit Keltische streken en landen. Ierland bracht Planxty voort; The Bothy Band en ook The Chieftains maakte hun opwachting. Wales was een moeilijker gebied. Ar Log en Cromlech waren twee groepen die Nederland regelmatig aandeden.
In Bretagne traden Ar Bleizi Ruz en Sonerien Du in de voetsporen van Alan Stivell en ze toerden frequent in Nederland. In Schotland waren het vooral The Battlefield Band, Five Hand Reel (met Dick Gaughan), The Tannahill Weavers (met Dougie MacLean) en natuurlijk Silly Wizard die de boventoon voerden. Een opmerkelijke groep is nog niet genoemd, het destijds vanuit Glasgow opererende Ossian. In een artikel in muziekblad Oor (30 november 1977) typeerde Jan Libbenga de groep als volgt: “Het Schotse Ossian kan op het eerste gehoor gerangschikt worden onder de reeds eerder genoemde Keltische folkgroepen. Toch onderscheidt ze zich van haar collegae en dat zit hem voornamelijk in het tempo van de nummers. Bothy Band en Silly Wizard spelen over het algemeen snel en gejaagd. Ossian daarentegen zou je een ‘medium tempo groep’ kunnen noemen. Het accent ligt veeleer op contrapunt en samenspel.”

Herkomst

De historie van Ossian begint in feite met haar illustere voorganger, de folkrockgroep Contraband. Deze formatie maakte slechts één titelloze, nu veelgezochte elpee op Transatlantic Records (1974). Contraband bracht een mix van eigen composities, bewerkingen van songs van onder meer Richard Digance, Edward Sayer’s Brass Band en Come up smiling, en Rosemary Hardin (Lady for today) en eigen versies van traditionals (The Banks of Claudy en de tuneset The Spanish cloak/Pea-Pod McGinley/The youngest daughter) en het Burnslied Rattlin’ roarin’ Willie. De groep bestond uit zangeres Mae McKenna, gitarist Peter Cairney, drummer Alec Baird (later onder meer Gryphon en Midge Ure), fiddler John Martin, George Jackson (mandoline, accordeon, gitaar, fiddle, banjo) en Billy Jackson, die toen nog elektrische en contrabas, gitaar en cello speelde. Na vijf jaar hield ze in 1975 op te bestaan.ossian-foto

De drie kernleden, fiddler Martin en de broers Jackson wilden eindelijk wel weer eens gewoon akoestisch spelen. Als vierde lid werd zanger, gitarist, whistle- en dulcimerspeler Billy Ross aan het trio toegevoegd. Voor Ossian maakte Ross samen met Martin deel uit van de groep Dapplegrim. Ossian werd vernoemd naar een historische en legendarische Keltische bard uit de derde eeuw. Hij was de zoon van Fingal (ook bekend als Finn MacCool, in zeer uiteenlopende schrijfwijzen), een van de leiders van de Fianna, een ridderorde die een belangrijke rol speelt in oude Keltische mythen en verhalen. De poëzie van Ossian is veel beschreven en er is veel naar verwezen. James MacPherson gaf in 1765 onder de titel Ossian een reeks in ritmisch proza geschreven verhalen uit die bewerkingen zouden zijn van oude Gaelic balladen. Ze bleken, ondanks hun schoonheid, falsificaties te zijn. Toch is de keuze voor de naam Ossian opmerkelijk voor een Schotse groep. De Fianna worden in eerste instantie geassocieerd met de Ierse mythologie, nauwelijks met de Schotse. In het zelfde artikel in Oor verklaart George Jackson de keuze. “In het verre verleden is een groot aantal Ieren naar het gebied verhuisd dat later Schotland is genoemd. Die naam is in origine Iers en betekent zoiets als land toebehorend aan de Ieren.” Er heeft altijd een levendige handel en emigratie tussen Ierland en het westen van Schotland bestaan. En de broers Jackson, weliswaar geboren in Schotland, hebben een Ierse afkomst. Ook brachten ze een groot deel van hun jeugd door in het West-Ierse Donegal, waarmee de cirkel rond lijkt. (Een latere bekende Ierse folkgroep met zangeres Geraldine McGowan, koos voor de Ierse variant Oisin als groepsnaam. MR.)

Het album, de opnamen

De opnamen voor het debuutalbum vonden plaats in de Radio Forth Studios in Edinburgh met als producer Peter Shepheard. Het album werd met beperkte middelen opgenomen. Slechts vier sporen stonden ter beschikking. Het is verbazingwekkend hoe goed de geluidskwaliteit nog is met die beperkte middelen. Het album klinkt warm, met niet al te veel hoog in de frequenties, maar dat geeft juist een intiem sfeertje. Met vier muzikanten en meerstemmige zang moet er uiterst secuur met de overdubs gewerkt zijn. Immers, met vier sporen moet je bij een overdub al direct terugmixen naar twee sporen om weer twee opnamesporen vrij te maken. Desondanks is de kanaalscheiding, de stereomix, goed, zijn alle instrumenten en zangpartijen duidelijk te onderscheiden en is de dynamiek voldoende. Een waar huzarenstukje dus van geluidstechnicus Colin Nicolson, aangezien de muzikanten op enkele nummers meerdere instrumenten bespelen. Het album werd uitgebracht op het kleine, onbekende Springthyme Records. Slechte ervaringen met Transatlantic Records, destijds een grote speler op de markt van folkmuziek, bracht hen tot die keuze. “We doen geen concessies meer aan platenmaatschappijen. We spelen momenteel muziek waar we voor de volle honderd procent achter staan. Bij een grote maatschappij had men ons waarschijnlijk geprest muziek te maken die bij het grote publiek in de smaak valt,” aldus George Jackson in het genoemde interview. Het album bevat elf tracks. De verdeling tussen liederen en tunes is evenwichtig en soms wordt een lied gevolgd door een instrumentaal. Het merendeel van het repertoire is traditioneel. De rest past perfect in dit idioom. Zo is er het Burnslied Ae fond kiss, de Scott Skinnercompositie Music of Spey, aangevuld met een aantal eigentijdse Schotse tunes. De elpee opent met het lied The corncrake, gevolgd door de jig I hae a wife o ma ain. Gelijk al wordt de toon gezet. Billy Ross leidt het lied in met een intro op de dulcimer en langzamerhand wordt de instrumentatie vervolmaakt met fiddle, gitaar, cello, fluit en uillean pipes. Toch is het vooral de warme, sonore en toch heldere stem van Ross met dat typische Schotse accent dat opvalt. Het zou een handelsmerk worden van de eerste bezetting van Ossian. De schitterende slow air Sitting in the stern of a boat kent opnieuw een voor die tijd onconventionele instrumentatie: Keltische harp, twee fiddles, fluit en whistles. My rovin eye met een vierstemmig gezongen refrein was lange tijd live een favoriet, juist vanwege dat simpele, maar vrolijke refrein.

Video: My rovin eye Video: Spootaskerry/The Willow Kishie/Simon’s Wort

De populariteit van Burns in folkkringen buiten Schotland is deels te danken aan Ossians uitvoering van Ae fond kiss, dat meeslepend en ingetogen door Ross wordt vertolkt. Kant twee opent met het lied Brose and butter, een “begging song” wederom in dat karakteristieke dialect gezongen, gevolgd door twee jigs. Die jigs bewijzen dat Ossian niet alleen met slow ballads maar ook met up-tempo melodieën uit de voeten kon. Let me in this ae nicht is strikt beschouwd een vreemde eend in de bijt. Het is tevens een voorbeeld van vernieuwende elementen die Ossian destijds in de Schotse muziek bracht. Het traditionele Schotse lied krijgt een inleiding met fiddle en de Ierse uillean pipes. Het laatste instrument werd daarvoor nauwelijks gebruikt in de Schotse muziek. Schotland had immers zijn eigen highland doedelzak. Later begeleidt een gitaar die uillean pipes – eveneens een combinatie die zelden voorkwam (Planxty was een van de eerste groepen die deze combinatie toepaste in de Keltische muziek. MR). Het album sluit af met Oidche mhath leibh, een slaaplied in het Gaelic uit de Hebriden dat in een andere versie terug te vinden is op een van de albums van Breton Alan Stivell.

Opvallende verschijning

Het album kende een grote belangstelling en dat geldt nog steeds. Het werd diverse malen heruitgegeven, maar Billy Jackson ziet dat iets anders. “Ik beschouw het niet als heruitgaven. Alleen het formaat (van lp naar cd) veranderde. Maar in al die jaren is het album nooit ‘out of print’ of uit de catalogus gehaald.” Eind jaren zeventig was het gebruik van instrumenten als de Uillean pipe, maar vooral de Keltische harp in een groepsverband vernieuwend. Het verklaart wellicht de grote belangstelling voor het album. Daarbij zong de groep als eerste ook nog eens in het Gaelic. “Dat was de inbreng en invloed van Billy Ross. Niemand deed dat in die tijd in een folkgroep. Het gebruik van de harp en het zingen in het Gaelic verklaart misschien voor een deel de populariteit. Het werd op scholen aanbevolen om naar te luisteren,” volgens Billy Jackson. Net zo opvallend als de inhoud was de verpakking. De hoes toont centraal op de voorkant in vrij grote letters de naam van de groep, omgeven door Keltische ornamenten in een bruin-grijs-zwarte kleurstelling. Billy Jackson: “De vormgeving was ongebruikelijk. Een tekening met Keltische ornamenten. Al onze hoezen werden ontworpen door Colin Browne. Ik ontmoette hem tijdens de opnamen voor een elpee van Mike Whelan, waarop ik bass speelde. Colin was gitarist. We gaven hem altijd een idee dat hij verder uitwerkte en concretiseerde. Het oorspronkelijke ontwerp van de hoes was in kleur, maar producer Peter Shepheard protesteerde en suggereerde een simpelere uitvoering. Het resultaat is bekend.” Jackson kijkt nog steeds tevreden terug op het Ossian-debuut. “Het was een optelsom van ideeën en de natuurlijke benadering van de betrokken muzikanten. Het bevat materiaal dat nog steeds staat.”

Na het debuutalbum

Een jaar na Ossian 1 verscheen St Kilda’s wedding. De groep ging met louter Schotse liederen en tunes door op de weg die ingeslagen was met het debuutalbum. Met een langere opnametijd in een beter geoutilleerde studio werd de uiteindelijke klank geperfectioneerd. St Kilda’s wedding is misschien wel het beste album dat de groep in de ruim tien jaar van de eerste cyclus heeft gemaakt. Weer drie jaar later, in 1981 werd Seal song uitgebracht, het eerste album met voormalig Alba zanger/gitarist Tony Cuffe als vervanger van Billy Ross. “Tony Cuffe werd ingebracht als verbreding van de band. Daarop besloot Ross om de groep te verlaten,” zegt Jackson over die merkwaardige wisseling van zangers. Cuffe, die anderhalf jaar geleden in de USA overleed, was ontegenzeggelijk een betere instrumentalist dan Ross en had een geheel ander, maar even zo goed specifiek stemgeluid. Dove across the water was het eerste album als kwintet met de komst van piper, fluit- en whistlespeler Iain MacDonald. Het was tevens het eerste album waarop min of meer thematisch werd gewerkt. Borders verscheen in dezelfde samenstelling in 1984. In datzelfde jaar maakten de beide Billy’s (Jackson en Ross) the elpee The misty mountain waarop je het geluid van de eerste twee Ossian-platen herkent. In 1986 verschijnt het voorlopig laatste album van de groep Light on a distant shore. Het werken met composities rond een centraal thema is tot kunst verheven. Kortere nummers worden afgewisseld met composities van tussen de zes en tien minuten, soms aaneengeweven in een suite. Het wordt een kenmerkende werkwijze voor de latere soloalbums van Billy Jackson, die zich op de soloprojecten als William Jackson presenteert. The Wellpark suite, St Mungo en Celtic tranquility zijn de bekendste titels in die soloproductie.

Ossian valt na Light on a distant shore uit elkaar. George Jackson overlijdt onverwacht, Tony Cuffe verhuist naar Amerika waar hij voornamelijk solowerk verricht. Fiddler John Martin biedt zijn diensten aan in achtereenvolgens de Easy Club en nog steeds de Tannahill Weavers. Iain MacDonald speelt als sessiemuzikant in diverse groepen en duikt later ineens op bij de Tannahill Weavers. Billy Ross richt begin jaren negentig met Stuart Morison en Iain McInnes (beiden voormalige leden van de Tannahill Weavers) de formatie Smalltalk op. Ze maken een titelloze cd, waarna Billy Jackson zich bij het trio aansluit. Vanaf dat moment wordt de naam, met twee van de oorspronkelijke leden in de formatie, veranderd in Ossian. De heropgerichte formatie maakt een uitstekende cd, The carrying stream en doet ook tweemaal Nederland aan voor een tournee. Dan blijkt dat Ossian nog lang niet vergeten is.

Bronnen:
Oor 24 van 30 November 1977
Email interview William Jackson

 *) Dit Meesterwerk verscheen in © New Folk Sounds 104 – apr/mei 2006

Luisteren

Track List – Ossian (Lyrics van springthyme.co.uk)
1: The Corncrake (Song)/ I Hae a Wife o Ma Ain (Jig)
2: Sitting in the Stern of a Boat (Slow Air)
3: Ma Roving Eye (Song)
4: Ó mo Dhùthaich (Oh my Country)/ Ossian’s Lament
5: The 72nd Highlander’s Farewell tae Aberdeen (Pipe March) The Favourite Dram (Bumpkin)
6: Ae Fond Kiss (Song)
7: Brose and Butter (Song)/ Monaghan Jig/ Jackson’s Bottle of Brandy (Jigs)
8: Music of Spey (Slow Air)
9: Let Me in this Ae Nicht (Song)
10: Spootaskerry/ The Willow Kishie/ Simon’s Wort (Shetland Reels)
11: Oidche Mhath Leibh (Goodnight To You) (Gaelic Song)

2 Reacties
  1. Walter van Brakel
    • New Folk Sounds