Pierre Bensusan, Pres de Paris

Het zal midden jaren zeventig van de voorgaande eeuw geweest zijn. Folkmuziek was een hot item en dus volop geprogrammeerd op de betere festivals, zoals het Festival van Vlaanderen. Op de binnenplaats van de Gentse St Pieter stonden coryfeeën op de planken. Het publiek genoot van het zonnetje en keuvelde zachtjes tussen de noten door. Plots werd het ijzingwekkend stil. Een nog geen twintigjarige krullenbol op het podium eiste aandacht en legde letterlijk het publiek het zwijgen op. Met zijn omfloerste, ietwat haspelende stem, maar vooral met zijn instrument: de akoestische gitaar. Hier was een wereldwonder bezig. Die klanken konden onmogelijk van één man en uit één instrument komen. Prachtig en onvergetelijk was de blik en de houding van een grootheid naast het podium. Met wijd opengevallen mond van verbazing stond daar de toen al grote Martin Carthy, vaandeldrager van de English fingerpicking style, vol bewondering te kijken en te luisteren naar een nog relatief onbekende jongeman uit Frankrijk in het folkcircuit: Pierre Bensusan.

 

Inmiddels is Pierre Bensusan een begrip voor alles wat rond de akoestische gitaar draait. De titel ‘Mister DADGAD’ is aan velen vergeven, maar slechts één heeft daar recht op. Hij is niet de uitvinder, wel degene die de stijl geperfectioneerd en gepromoot heeft. Een fenomeen op de zes snaren. De keuze voor een meesterwerk was lastig. Wordt het Pres de Paris of toch II? Het werd zijn debuutschijf uit 1975. Misschien niet direct vanuit muzikaal oogpunt, maar veeleer omdat met dit album de aanzet werd gegeven tot een heel andere kijk op begeleiding op gitaar van -allereerst- Keltische folkmuziek, later op improvisatie, compositie, techniek etc.

Pierre Bensusan nam het album Pres de Paris op toen hij nog maar 17 jaar oud was. In 1962 was de familie verhuisd vanuit Algerije naar een voorstad ten westen van Parijs. Vanaf zijn zevende kreeg hij pianolessen, maar toen hij elf was leerde hij zichzelf gitaarspelen. Aanvankelijk gebruikte hij diverse stemmingen, maar dat gaf weinig bevrediging.

“Bij toeval kwam ik de DADGAD stemming tegen, toen ik in 1973 een maand bij vrienden in Bretagne verbleef. Ik achtte het beter te concentreren op één stemming en je instrument zo te doorgronden dat je daarin in elke toonsoort alle akkoorden en improvisaties kon spelen. DADGAD paste het beste bij mij. Daarmee kon ik een universele muzikale taal spreken. Vanaf 1978 is dit mijn standaard stemming (album Musiques). Ik heb niet veel bijgedragen aan de ontwikkeling van die stemming. Het meest principiële is ‘to hide the ear’, zodat je niet weet dat de gitaar in die bepaalde stemming staat en je je er ook niet druk ook maakt.” Collega muzikanten zijn minder bescheiden over Benusans betekenis voor de DADGAD stemming. Zo zegt Soig Siberill: “Voor mij zijn er twee mensen die zeer belangrijk zijn geweest voor de gitaarbegeleiding in Keltische muziek: Michael O’Domhnaill en Pierre Bensusan. Bensusan is geniaal. Hij bouwt vooral op een krachtige rechterhand. Daarbij speelt hij zeer harmonisch. Hij heeft talent, maar werkt ook zeer hard aan zijn techniek. Ik kan me herinneren dat we een toer hadden en samen reisden. Je zat nog geen vijf minuten in de trein of de gitaar kwam al weer uit de koffer. Het is een perfectionist.” Schot Ian Melrose vindt: “Hij heeft het gitaarspel naar zo’n niveau getild dat, wat er ook uitkomt, het pure muziek is. Het lijkt of er bij hem geen grenzen en beperkingen zijn. Dankzij zijn fenomenale techniek heeft hij controle over elke noot. In zijn uitvoeringen en composities is hij een meester in variatie en improvisatie met fraaie harmonieën, ritmes en melodische veranderingen.”

PRES DE PARIS: EEN TIJDSBEELD

 Pres de Paris werd opgenomen in een studio in Marnes Le Coquette, nadat Bensusan Frederic Leibovitz had ontmoet. Deze richtte het label Cezame op en legde Bensusan vast voor drie albums. De tien tracks zijn een mix van Franse en Keltische songs en melodieën, zowel eigen(tijdse) als traditionele. De keuze voor Keltisch materiaal, gekozen door een uit Algerije afkomstige jongeman, is volgens Bensusan niet zo vreemd.

“De Keltische muziek is voor mij een echo van oriëntaalse elementen uit Joodse, Arabische en Spaanse herinneringen in mijn familie. Ook de ornamentatie ligt dicht bij barokke en Arabo-Andalusische muziek. En ik voelde dat Keltische muziek een nog ongerepte route voor de akoestische gitaar was. Ik wilde niet de zoveelste gitarist zijn die platgetreden wegen bewandelde. Mijn doel was om innovatief te zijn, zonder mezelf te verloochenen.”

De keuze van het repertoire werd geïnspireerd door het luisteren naar gitaristen als Bert Jansch, John Renbourn, Martin Carthy, maar ook Bob Dylan. Daarnaast was zijn mentor, banjospeler Bill Keith, van groot belang. Bensusan speelde mandoline in Keiths band vanaf 1974. “Zijn cross-picking en melodische banjo techniek heeft me geïnspireerd om harp arpeggio’s op de gitaar te ontwikkelen.” Aan de opnamen zelf bewaart Pierre Bensusan goede herinneringen. “We namen op in juni en elke track heeft niet meer dan twee takes gekost. Zang en gitaarspel werden tegelijkertijd vastgelegd. Het was allemaal heel nieuw en daardoor spannend voor mij. Wat me vooral is bijgebleven, naast de support van de gastmusici, is de geur van de studio. Een mix van oude bandopnamemachines als de Revox, de tapes, de elektronica, het vloerkleed en de onvermijdelijke sigaretten. Het verliep heel harmonieus en alles bij elkaar duurden de opnamen niet meer dan een week.”

De gitarist leefde in die tijd met zijn ouders in Sursesnes, een voorstad ten westen van Parijs, in een appartementencomplex waar veel muzikanten verbleven. De bewoners vormden bovendien een smeltkroes van culturen. Die multiculturele omgeving heeft vooral invloed gehad op het later werk van de gitarist. Zoals hij zelf zegt was het debuutalbum een weergave van zijn voorliefde voor Keltische muziek, bluegrass, maar tevens folk in het algemeen en moesten de andere elementen nog rijpen.

Het album kent zowel bewerkingen van Keltische traditionals (Merrily kissed the quaker/Cunla, The Ashplant/The morning dew) als eigen composities in die stijl. De Opener Gavotte is deels een traditional (De trilport), aangevuld met Bensusans eigen A Fublaines. Die openingstrack zet al gelijk de toon: harmonische, vol klinkende akkoorden, een twinkelende melodie en sterke ritmische baspartijen. Twee tracks zijn onvergetelijke standaards geworden in de loop der jaren. Zijn uitvoering van Dame Lombarde en de Phil Coulter compositie The town I loved so well. Ondanks zijn wat lispelende zang toont Bensusan aan ook vocaal meer dan gemiddeld te presteren. Is hij niet zo’n geweldig zanger, dan is het toch vooral de emotie die hij in die vocale uiting legt. Zelf vindt hij dat Pres de Paris niet een noemenswaardig en exceptioneel album in de folkgeschiedenis is, maar dat het net zo belangrijk is geweest als albums van muzikanten die in de periode de folkmuziek naar een volwassener en professioneler niveau tilden, zoals Alan Stivell, Dan Ar Bras, Malicorne, Pentangle, Fairport Convention, Martin Carthy, Planxty, Kolinda, Nic Jones etc. Of het tussen dit rijtje staan al geen verdienste op zich is… Soig Siberill schat de waarde van Pres de Paris anders in. “Het was het eerste album waarbij Franse- en Bretonse folk met gitaarbegeleiding op die manier ten gehore werd gebracht. Hij adapteerde deze tradities en de Keltische om er zijn eigen draai aan te geven. Het behoort tot de rootsalbums in de historie van dit genre.”

Ian Melrose vult aan: “Al op die jonge leeftijd had hij een heel volwassen en vooral melodisch geluid. Het heeft karakter, toont nieuwe richtingen en de kwaliteit van de gitaar georiënteerde interpretaties van folkmuziek en Keltische muziek in het bijzonder. Hij speelt solo polyfonische arrangementen van jigs en reels en doet dat levendig, losjes maar met een hoge mate van precisie. Datzelfde geldt voor de begeleiding van de songs. De titeltrack was mijn favoriet op dat album.”

 HET GEVOLG/VERVOLG

Pres de Paris won diverse grote prijzen, zoals de Grand Prix du disque folk en Montreux . Het is daarmee nog steeds een van de meest onderscheiden debuutalbums ooit. Het legde geen windeieren voor de Franse gitarist. “Ik was net achttien en bezig om een solocarrière op te bouwen. Het heeft me op de kaart gezet en in staat gesteld om door heel Europa te toeren, letterlijk nieuwe wegen te ontdekken en figuurlijk doordat ik in aanraking kwam met andere muzikanten en nieuwe vrienden. Ik kreeg de kans om in 1977 naar Ierland te gaan, waar ik de DADGAD introduceerde. Het was verbazend hoe open en enthousiast de Ieren waren voor die nieuwe sound. Ik speelde zeker niet authentiek Iers, maar we voelden beiden dezelfde snaar trillen. Dat heeft me zelfvertrouwen gegeven en de moed en overtuiging om mijn eigen muzikale pad te volgen.”

Het maken van de altijd zo moeizame opvolger, het andere meesterwerk Pierre Bensusan II, was eerder een gevecht dan een vreugde. “Eerder een kwelling en een opdracht in vergelijking met het spontane van het debuut. Ik stelde mezelf een heleboel existentiële vragen en geloofde nauwelijks meer in mezelf. Ik keek op naar anderen, had respect en werd te tolerant. Daarnaast wilde ik weg van het bekrompen folkwereldje, waarin iedereen over elkaar viel, elkaar bekritiseerde en veroordeelde, op elkaar neerkeek. Ik ontmoette een boel gefrustreerde muzikanten. Het tweede album is zeker een reactie daarop.”

Inmiddels is Pierre Bensusan meer dan vijfendertig jaar beroepsmuzikant. Dat feit werd vorig jaar gevierd met de complete (her)uitgave in nieuwe verpakkingen van al zijn albums, plus een gloednieuw Vividly. (zie New Folk Sounds 135). En nog steeds blijft Pierre Bensusan zich ontwikkelen, vernieuwen en op zoek naar innovaties. Elementen van Keltische muziek en folk bleven in zijn werk vertegenwoordigd, maar grenzen werden verlegd naar improvisatie, jazz, zelfs latin invloeden en wereldmuziek. En hij blijft gitaristen inspireren. Zoals Ian Melrose de invloed van Bensusan op zijn eigen ontwikkeling weergeeft: “De mix van de melodische aanpak, improvisatie, het verweven van jazz en folk-elementen was een grote inspiratiebron voor mij. Met name het album Solilai. Dat toonde aan hoe vrij, Europees en tegelijkertijd kosmopolitisch fingerstyle gitaarspel kan zijn.”

 Pierre Bensusan heeft nooit een geheim gemaakt van wat en hoe hij speelt. Al vanaf Pres de Paris zijn tabulaturen beschikbaar. Later volgden de boeken, de onvermijdelijke instructie video’s/dvd’s en workshops. Toch kan hij het niet nalaten een voetnoot te plaatsen bij ‘naspelers’. En hij reageert op de toenemende kritiek van jongere gitaristen die de DADGAD stemming (te) beperkt en saai vinden. “Die muzikanten zouden hun mening moeten toetsen aan wat nu bereikt is en gecreëerd wordt. Een stemming is alleen maar een gereedschap om een muzikale uiting te bewerkstelligen. Elke stemming is waardeloos als je er niet induikt en  bestudeert van binnen uit. Niet de muziek of de stemming is gelimiteerd. De enige die beperkt is, is de muzikant zelf. Je kan niet zonder meer iemand imiteren of klonen. Dat houdt in iemands gedachte en gevoelens mee kopiëren. Dat is gekkenwerk. Je moet je eigen weg vinden. Het is beter om je eigen levenswerk te maken, je eigen boek te schrijven. Mijn motto is altijd geweest om muziek met mensen te delen en te helpen om de stukken zo goed mogelijk te doorgronden. Er zijn geen trucs, geen geheimen. Ik vind het best als anderen ‘een nieuwe Pierre Bensusan’ willen zijn. Maar ik zou sterk willen adviseren om dieper in jezelf te kijken. En bovendien, na vijfendertig jaar ben ik nog geen nieuwe PB tegengekomen. En dat is maar goed ook. Eentje is al meer dan genoeg :-) .”

Discografie:

Pierre Bensusans albums zijn onlangs allemaal heruitgegeven en verkrijgbaar op zijn eigen DADGAD music label met bestelnummers DM 1001 (Pres de Paris) tot DM 1012 (Vividly). Ook is een box verschenen met daarin het complete werk + bonus cd. Distributie Music & Words.

Surfen: http://www.pierrebensusan.com