Profiel: Ede Staal

Populair, zonder poeha

Het is al bijna 15 jaar* geleden dat Ede Staal op 44-jarige leeftijd overleed. Maar nog steeds is de zingende Groninger razend populair. Het lijkt wel of zijn bekendheid nog steeds groeit, vooral buiten die provincie. Waar dankt de zanger / schrijver zijn populariteit aan? Ook andere provincies kennen immers jong gestorven dialectzangers. Ad de Laat was 48 toen hij stierf in 1995. Hij wordt in Noord-Brabant nog steeds graag beluisterd, maar heeft bij lange na niet de status van Ede Staal bereikt. En Jo Erens was nog maar 27 toen hij in 1955 overleed. De zanger uit Sittard is in Limburg en daarbuiten nog steeds populair, maar valt blijkbaar minder op tussen de omvangrijke Limburgse muziekcultuur. Nee, Ede Staal spant echt de kroon.

Ede (Ulfert) Staal werd op 2 augustus 1941 in Warffum geboren, maar woonde zijn eerste levensjaren in Leens. Zijn vader was, toen Staal werd geboren, onderwijzer en lid van de NSB. Dat laatste heeft in Staal’s verdere ontwikkeling ongetwijfeld een rol gespeeld. Maar als echte Groninger heeft hij zich daarover nooit duidelijk uitgelaten. Als 10-jarige werd Staal lid van de dorpsfanfare in Leens. Het was dezelfde fanfare waarvan zijn grootvader eerder dirigent was. Staal speelde er trompet.

Na de HBS startte Ede Staal met een studie medicijnen aan de Rijksuniversiteit in Groningen. Maar hij veranderde van studierichting door zijn liefde voor talen. Na zijn studie Engels werd Staal leraar. Kort daarop begon hij ook met het schrijven van Engelse songs. In 1974 kwam er een single van hem uit bij Phonogram: I’m in the Blues. De commerciële platenwereld remde zijn creativiteit, vond Staal: ‘In zo’n muzikale legbatterij waar ik de grootste eieren moet leggen, kan ik niet werken.’ Die wereld hield Ede Staal dus snel voor gezien.

Staal noemde zichzelf een makelaar in woorden. Hij praktiseerde dat door naast zijn leraarschap wat bij te klussen en schreef enkele reclameteksten voor de STER. Ook bekwaamde hij zich in het Deens en het Oost-Fries en schreef liedjes onder het pseudoniem E. Paltrams (anagram voor smartlap).

Als streektaalzanger was Staal een laatbloeier. Pas in 1981 schreef hij zijn eerste lied in het Gronings. Niet lang daarna werd hij ontdekt door Engbert Gruben, radiopresentator bij Radio Noord. Kort daarna werd Mien toentje de herkenningsmelodie van een populair tuinprogramma bij de omroep. Staal werkte mee aan diverse programma’s van Radio Noord zoals Sloaperstil en Zuzooien op zundagmörn. Met Klaas Staal, drukker in Veendam, maar geen familie, richtte hij een eigen muzieklabel op. De naam van het label verwijst naar de bijnaam voor Groningers: Mollebone Music. Honderdduizenden lp’s en cd’s van Staal zijn onder die naam, binnen en buiten Groningen, verkocht.

Ede Staal heeft op verschillende plaatsen in Groningen als leraar gewerkt en gewoond. Op het laatst van zijn leven was hij leraar en decaan in Woldendorp. Staal was getrouwd met Sophie Theodora (Fieke) Spoel en had zes zoons. De jongste was drie maanden toen zijn vader overleed. Staal stierf op 22 juli 1986. In het jaar van zijn overlijden zou hij de K. ter Laanprijs ontvangen. De jury van deze cultuurprijs omschreef zijn liedjes als ‘stuk voor stuk juweeltjes van Groninger woordkunst’.

Kwalitatief is de eerste lp van Staal, die eigenlijk Ede Staal heet, maar Mien toentje wordt genoemd, nooit overtroffen. Vooral het deel waarin de live-opnamen van het Groninger liedjesfestival uit 1984 zijn te horen, is ijzersterk. Niet alle liedjes van Ede Staal zijn even krachtig. Maar tussen zijn aardigheidjes, die vaak grappiger zijn dan mooi, zoals Genoat, Mien Toentje en Wie schenken ons nog ain in, zitten liederen met draagkracht. In Het Hoogelaand beschrijft Staal simpel en poëtisch het landschap uit zijn jeugd. Het lied werd in 1998 gebruikt in de film De Poolse bruid van Karim Traïda. In verband met de vertoning van die film in het Verre Oosten, werd het lied ook in het Japans vertaald. In Doar bluit mien eerappellaand wordt niet alleen de botsing tussen oud en nieuw beschreven, maar ook die tussen de schoonheid van het land en het landbouwproduct. Het twijde perron is een generatieloze wel- en weebeschrijving. Waarschijnlijk zullen slechts Groningers die de situatie op het hoofdstation in Stad kennen, de diepere betekenis doorgronden. Maar ook niet-Groningers ervaren de schoonheid van de melodie. Het het nog nooit zo donker west staat bovenaan de hitlijst in Groningen. In Credo-mien bestoan plaatst Ede Staal zijn leven in een kader. Uit die rake openbaring blijkt dat voor een duidelijk beeld niet veel woorden nodig zijn. Staal schreef het lied op het moment dat zijn long al door kanker was aangetast.

In 1996 werd, ter herdenking van het tienjarig verscheiden van de Groninger zanger, een dubbel-cd uitgegeven. Ondanks de goede bedoelingen op de ‘flaptekst’ van Staalkenner en streektaalfunctionaris Siemon Reker (hij sleept er nota bene Vergilius bij) om de release te vergoeilijken, brengt beluistering vooral een desillusie. De beide cd’s Hear my song en As’t boeten störmt geven, dat is waar, een goed beeld van Ede Staal als werkend zanger / schrijver. De cd’s laten ook zijn spelerijen met het Deens en het Oost-Fries horen. Maar in technisch opzicht zijn de schijven slecht. Toch bevestigen deze ‘apocrieve’ cd’s de artistieke kwaliteit van de kritische schepper. Staal had dit materiaal immers zelf nooit uitgegeven.

Ede Staal wordt in beschouwingen met velen vergeleken. Als cultfiguur met Elvis Presley, als songschrijver met George Moustaki, maar ook met Neil Young. De meesten identificeren hem echter met Jaques Brel. Maar iedere vergelijking gaat mank. Staal combineerde waarschijnlijk talenten die bij Presley, Moustaki, Young en Brel manifest waren. Maar Ede Staal presenteerde zijn talent in alle eenvoud en dekte dat vooral af met nuchterheid.

Staal woonde onder meer in Leens, Nieuw Scheemda, Nieuw Statenzijl, Kibbelgaarn en Delfzijl. Wie de kaart van Groningen bekijkt, ziet dat de plaatsen door de hele provincie verspreid liggen. En overal sprak hij het dialect van die streek. Ook bij het zingen bleek zijn Gronings een soort overkoepelende streektaal. Dat verklaart voor een deel de populariteit van Staal in Groningen en het verschil met bijvoorbeeld Ad de Laat in Brabant, die in het Nisselroois bleef zingen en met Jo Erens. Die was en bleef een Zuid-Limburger al kreeg hij indertijd bekendheid in de rest van het land.

De stem van Staal is een spiegel van Groningen: ruw, maar met van die leuke draaiertjes. Alsof de dalgrond uit de veenkolonieën die ruige klei-kluit veerkracht geeft. Die typische stem past bij zijn donkere liederen. Het is de stem die de Groningers meer eigenwaarde heeft gegeven.

Dit jaar* worden er een tentoonstelling, een boek, een monument en diverse muzikale happenings aan de liedkunstenaar gewijd. Zelf zou de bonkige, maar tegelijk charmante Groninger al deze activiteiten ongetwijfeld hebben verfoeid. Ede Staal was immers het prototype van de Groninger. Geen poeha en gezemel, kortaf, sober, schuchter, maar ook een beetje zelfbeklag: ‘…‘t Geluk van joen jeugd goa je loater pas zain, dus aiglieks bin je altied te loat…’.
Wat Ede Staal vooral aanspreekt bij zijn luisteraars, zijn deze filosofietjes en natuurlijk zijn melancholieke muzikaliteit. Vooral niet-Groningers ontdekken dat. Aan de populariteitsgroei van Ede Staal is dan ook nog steeds geen einde gekomen.

Luisteren:
Mien toentje (Mollebone Music, CDEKS 1284, 1984)
As vaaier woorden (Mollebone Music, CDEKS 1086, 1986)
Zuzooien op zundagmörn (Mollebone Music, CDEKS 1293-1/2/3, 1993)
Hear my song / as’t boeten störmt (Mollebone Music, CDEKS 1096-1/2,1996)

Lezen:
Diverse Groningers: Ode aan Ede, herinneringen aan Ede Staal (2000)

Kijken:
Zo moutve t holden (VIDEO, Gent produkties, Delfzijl)
Tentoonstelling Ode aan Ede, Borg Verhildersum Leens, geopend tot 26 november 2000.*

* © Dit artikel verscheen in New Folk Sounds 71, oktober/november 2000 en wordt nu gepubliceerd in het kader van de folkcanon

2 Reacties
  1. Joop van den Bremen Joop van den Bremen
  2. Free Westerhoff