Rens van der Zalm

Een muziekleven als een kaleidoscoop

Nederland heeft weinig coryfeeën op het gebied van de folk. Maar de Rotterdammer Rens van der Zalm hoort zonder meer in dit selecte gezelschap thuis. Al drie decennia lang geeft hij kleur – en meer dan dat – aan allerhande uiteenlopende muziekgroepen met zijn viool, mandoline, gitaar, accordeon, doedelzak, whistles, mondharmonica en nog zo wat. Hij gedijt naar eigen zeggen het beste op de achtergrond. Hij is het liefst in dienst bij iemand die mooie liedjes schrijft. Het is nooit een keus geweest om muzikant te worden, hij is er gewoon ingerold. Rens van der Zalm maakte deel uit van onder andere Fungus, Wolverlei, Crooks en Overstekend wild. De laatste jaren werkte hij bij Frank Boeijen, Bram Vermeulen en Youp van ‘t Hek. We zoeken verschillen en overeenkomsten binnen zijn muziekervaring.

© Foto: Ninon Lutters

Je hebt zowel in folk- als in rockgroepen gespeeld en ook bij theatervoorstellingen. Maakt dat veel verschil uit voor de muzikale aanpak?
‘Wat een aanmerkelijk verschil is tussen het spelen in een rock- of folkbezetting, is dat bij folk een mandoline of viool meer op de voorgrond staat, prominenter aanwezig dan bij een rockband. Daar zorgt het vooral voor een beetje kleur. De band die dendert gewoon door. Je bent alleen de krent in de pap. Daarom kom ik steeds weer bij de folk terug. Dat is ook meer de rol die ik in de band van Frank Boeijen kreeg toen ik er bijkwam. Je moet je meer terughoudend opstellen en je eigen plekje afdwingen.
Ik ben bij Frank Boeijen terechtgekomen via Harry Sachsioni, met wie ik een tijd samen heb gespeeld. Harry ging een toernee doen met Frank Boeijen en Raymond van het Groenewoud. Daar hebben ze mij toen ook bij gehaald. Na die toer heeft Frank mij voor zijn band gevraagd.

Persoonlijk ben ik wel behoorlijk trots op de bijdrage die ik heb geleverd aan de twee laatste cd’s Vaderland en De ballade van de dromedaris. Ik heb daar behoorlijk mijn eigen stempel op kunnen drukken. Dat kwam ook omdat Frank in een periode zat waarin hij het allemaal wat meer akoestisch wilde gaan aanpakken. Dan wordt mijn rol automatisch groter natuurlijk. Ik sta in totaal al zo’n acht jaar met hem op de planken. Ik ben er nu heel even mee gestopt. Dat impliceert meteen al dat ik waarschijnlijk wel weer een keer terug zal komen, maar dat zal de tijd leren. Ik ben weer gevraagd om met Youp van ‘t Hek een programma te doen, samen met saxofonist Tom Barlage. De eerste keer dat ik met Youp werkte, maakte Frank net een reis naar het Oosten. Dus dat kwam mooi uit. Nu moest ik kiezen. Dat vond Frank niet echt leuk. Er valt natuurlijk een bepaalde sound weg. En er is eigenlijk niemand die het kan overnemen. Er zijn natuurlijk wel mensen die hetzelfde doen als ik, maar die hebben allemaal een vaste baan.

Bij Youp van ‘t Hek spelen is weer een heel andere discipline. Dat vind ik ook heel leuk. Het is wel heel zwaar, heel leuk om het meegemaakt te hebben. Buiten het feit dat ik er trots op ben om met hem te spelen. Ik ben het ook verschrikkelijk met hem eens. In het programma Scherven moest ik in mijn eentje voor een zaal van achthonderd mensen opkomen en inzetten. En daar mag dan niets aan mankeren. Het moet power hebben, meteen staan.

En daarna weer tien minuten weg en dan weer een klein dingetje doen. Alles bij elkaar heb ik misschien tien tot twaalf minuten muziek in dat hele programma gehad, maar het was verschrikkelijk inspannend. Heel geconcentreerd. Doodvermoeiend. Ik sta normaal gesproken veel liever met een band op het podium een uur lang, want dan kom je in je ritme. Daar was bij Scherven dus absoluut geen sprake van. Ik sta nog steeds het liefste een beetje op de achtergrond, maar ik wil wel dat wat ik speel gehoord wordt. Vroeger interesseerde me dat niet. Ik was heel teruggetrokken en schuchter. Dat ben ik door die theatervoorstellingen wel kwijtgeraakt. Je leert je over je gêne heen te zetten. Je wordt zekerder van jezelf. Ik heb wel eens discussies gehad met Frank Boeijen over welk instrument ik bij een bepaald nummer zou spelen. Dan riep hij: „Rens, hier moet viool bij!“ Zei ik: „No way, dit staat in E, dat is klotetoonsoort voor viool, dus dat doe ik niet“. Dus dan pakte ik een ander instrument. Dat was even wennen voor hem. Dat is een kwestie van ervaring en van toegenomen zelfvertrouwen.’

Tegelijkertijd speel je ook samen met Andy Irvine
‘Dat is begonnen in ‘91, toen hij me vroeg om me te spelen op zijn cd Rude
awakening. Daarna heb ik ook mee getoerd. Andy en ik spelen heel graag samen. Ik voel dat ik hem heel erg goed aan kan vullen. Als er ruimte is in mijn agenda, dan speel ik het liefst met Andy.
Er is onlangs een nieuwe cd verschenen, Way out yonder, uitgegeven in eigen beheer. Andy is, zoals zoveel anderen, zo ziek geworden van platenmaatschappijen, dat hij in eigen hand heeft genomen. Dat betekent helaas wel dat het vrij moeilijk is om aan de cd te komen. Maar hij wordt wel geïmporteerd op kleinschalige basis.
Ik speel een behoorlijk belangrijke rol op Way out yonder.

Ik vraag altijd aan Andy of hij de dingen zoals hij ze doet voor mij op een band wil zetten, zodat ik thuis kan gaan puzzelen en studeren. Ik moet echt keihard studeren om het te leren. Als je het op de cd hoort klinkt het vrij gemakkelijk, maar dat is bij de gratie van het feit dat het goed gespeeld is. Als iets moeilijk klinkt, dan is het al niet goed.
Momenteel heb ik periode van muzikale stilte. Ik heb weinig om handen totdat ik met Youp aan de slag ga. Dat is blijkbaar wel nodig, want ik heb zo veel zin om te spelen. Ik kan de energie niet vinden.
Ik moet even tot rust komen.’

© Foto: Ninon Lutters

Heb je er nooit over gedacht om een solo-plaat te maken?
‘Ja hoor, maar ik vraag me alleen af: wie er op zit te wachten. Ik denk, als ik hem maak, dan maak ik hem voor mezelf. Ik heb ook geen materiaal, dan zou ik dan eerst moeten gaan schrijven. Dat lijkt me niet zo interessant voor de buitenwereld.
Ik zou het wel kunnen horen, dat is verder geen punt. Daar komt natuurlijk meteen weer bij: hoe moet je het gaan promoten? Ik kan moeilijk in mijn eentje tegelijkertijd mandoline, accordeon en viool spelen. Dan moet ik weer mensen gaan vinden en ik ben absoluut geen organisator. Daar heb ik geen trek in. En wie zou ervoor moeten vragen? Ik ben wel bezig met Ton Snijders, de toetsenist van Frank Boeijen om wat samen te ontwikkelen. We gaan gewoon bij elkaar zitten en proberen wat dingetjes uit. Dus er borrelt wel iets, maar we doen het vooral voor onszelf, hoor.’

Vind je het niet vreemd dat de twee lp’s van Wolverlei niet op cd te verkrijgen zijn? Die horen toch tot de belangrijkste Nederlandse folkplaten.
‘Ja, dat is natuurlijk iets dat van de platenmaatschappij af zou moeten komen. De eerste is op Stoof uitgebracht en de tweede op Universe. Ik heb zelf wel een cd ervan thuis liggen, die heeft een kennis voor me gemaakt. Ik heb Wolverlei al lang achter me gelaten. Ik ben er nog steeds wel trots op hoor. Het was een bandje waar geen speld tussen te krijgen was. Het was erg goed, al zeg ik het zelf. Maar is er nu nog publiek voor? Loont het nog de moeite? Ik heb nog wel regelmatig telefonisch contact met Frans Smulders (betrokken bij zowel Wolverlei als Overstekend Wild; red.), meestal een keer per maand, rond een uur ‘s nachts. Dan kletsen we zo’n anderhalf uur. Hij is hoogleraar in Wenen. Hij is op dit moment bezig met een Weense dichteres/zangeres, Barbara Stromberger, met wie hij af en toe optreedt. Marten Scheffer (Overstekend Wild; red.) spreek ik trouwens ook nog regelmatig.’

Als je vijf platen zou mogen meenemen naar een onbewoond eiland, welke zou je dan kiezen?
‘Ik zou iets meenemen uit vijf verschillende stromingen. Ik zou in ieder geval iets van Bach meenemen, iets van de latere Coltrane – waar ik helemaal niets van snap -, een Beatlesplaat, uiteraard eentje van Planxty en iets wat ik nog niet ken. Ik ben altijd breed georiënteerd geweest. Als het maar kwaliteit heeft.’

Is er nog een instrument wat je graag nog eens zou willen leren bespelen?
‘Ik ben het eigenlijk een beetje aan het afbouwen. Ik heb niet meer die bevlogenheid die je hebt als je een jaar of zestien bent om keihard te gaan studeren. Nu is dat ook niet echt nodig, want ik weet ondertussen wel wat ik ongeveer wil horen als een ander instrument pak. Ik ken mijn grenzen van wat ik acceptabel en leuk vind. Daarbinnen opereer ik natuurlijk. Als afscheidscadeau heb ik van Frank Boeijen een bastrompet gekregen. Die zou ik nou meenemen naar een onbewoond eiland. Want daar kan ik dus echt absoluut helemaal niets van. Dat lijkt me geweldig, dan heb ik in ieder geval wat te doen. Maar of ik nu zit te springen om dat instrument echt te gaan leren, dat is weer een heel ander verhaal.’

 

© Dit artikel verscheen in New Folk Sounds 73, en wordt nu gepubliceerd in het kader van de folkcanon