RIM, Jo Einar Jansen, Moenje & Tradpunkt

RIM, een beloftevol Scandinavisch viertal met tentakels in diverse andere projecten

De muzikanten van RIM lieten de voorbije twee jaar geen kans onbenut om hun kunnen in te zetten in verschillende projecten waarin ze heel onderscheiden grenzen van de Scandinavische traditie en de voortzetting ervan onder de schijnwerpers brachten. Het leek dan ook voor de hand liggend om niet alleen hun pas uitgebracht album aandacht te besteden, maar het totaalpakket tot bij de lezer te brengen. Naast een solo-cd van Jo Einar Jansen, kwam er ook eentje uit van Moenje (waar accordeoniste Hilde Fjerdingøy ook deel van uitmaakt) en de brug gerestaureerd wordt naar de yoiktraditie. Tenslotte vormt nyckelharpaspeelster Sunniva Abelli ook nog het trio Tradpunkt met twee viool- en nyckelharpaspeelsters.

 

RIM – Båten
(Playing with music, PWM31)

Dit Noors-Zweedse kwartet kwam voort uit een experiment, waarbij ze er twee jaar op uitgestuurd werden om in de Noordelijke regios inspiratie op te doen. De composities en arrangementen die eruit voortvloeiden werden dan ook geïnspireerd door de muziek en de muzikanten die op hun weg lagen. Zo ontwikkelden ze een eigen muzikale taal, die tegelijk heel dynamisch èn subtiel is, met niet weinig groove en kleurrijke ritmische variaties. Rond elk van hun nummers weefde zich een uniek verhaal, en dit is niet anders op hun tweede album Båten (‘De boot’), waarmee een reis aangevat wordt over zowel rumoerige, heftige en stille waters.
Hun folkroots zijn hierbij immer de richtbakens. Sferische, soms wat donkere, melodieën wentelen zich graag in soepele en dansbare grooves. Dit realiseren ze met een Zweeds/Noorse combinatie  van violen (Elin Jonsson en Jo Einar Jansen), diatonisch accordeon (Hilde Fjerdingøy uit Noorwegen) en nyckelharpa (Sunniva Abelli uit Zweden). Elin, die in Jämtland haar wieg zag staan in een waar folkbiotoop en ondertussen naast haar traditie ook de improvisatie in haar hart sluit, is aan zet in de opener Sigrids doppolska (‘Polska voor het doopsel van Sigrid’), naaldscherp, begeleid door zachte pizzicato’s op viool en nyckelharpa. Meteen wordt met Polka efter John Rosas de oversteek gemaakt naar Finland, een traditional, opgetekend door de musicoloog Rosas.
Het door Sunniva ingezongen titellied I Båten kenmerkt zich door een dusdanige melancholische, poëtische spanningsboog dat het zich onmiddellijk nestelt in ieders oor. Gelijkaardig gestemd is Hilde’s Lily-Rose, eerst gedragen door haar accordeon, waarna het thema vervolgens overgenomen wordt door de violen en ook de nyckelharpa steeds presenter wordt. Zij tekende ook voor Sa brura, een eerbetoon aan de dansvloer. Pittig is Elin’s Protestpolka, een muzikale vertaling voor wat je niet uitsprak, maar beter wel had gedaan. Ook hier weer een staaltje van de creativiteit die ze aan de dag weten te leggen aan samenspel en arrangementen. Dit is misschien nog meer aan de orde in hun Visa Från Raukasjö lied uit de traditie van Sofia Charlotta Andersson (°1855), waarin de melodie zich heel geleidelijk weet te ontworstelen aan de repetitieve rifjes.
Voor- (Jo Einar) en antwoordzang (de dames) breien een eerste hoofdstuk aan Kråka Laus, waarna de trekzak het sein aangeeft voor een instrumentaal vervolg, dat de grondlaag vormt voor een polyfone zangpassage, waarna Jo Einar afsluitend de centrale frase nog even overneemt. Doorgaans vormt het een grote uitdaging om een religieus (traditioneel) nummer in een interessante interpretatie te gieten. Jo Einar slaagt daar ontegensprekelijk in met Vesper, waar een in 1695 door Samuel Olsen Bruun geschreven psalmmelodie Nu solen går ned (‘Nu komt de zon op’) vastgesmeed wordt aan een avondgebed gecomponeerd door hemzelf. Een heel contemplatieve afsluiter van een barokke rijkdom.

 

Jo Einar Jansen – Naken
(Ta:lik, TA187)

De in Nord-Trøndelag opgegroeide Jo Einar bracht vrij recent ook een meer dan boeiende solo-cd uit, Naken, waarbij hij zich afwisselend bedient van zijn viool, octaafviool en hardanger, en daarbij af en toe ook zijn stem van betekenis laat zijn. Die brengt hij onder meer ten gehore in Je elske dae, een Vepsiaans runelied van Sinikka Langeland’s album Runoja. ‘Naakt’, de muzikant èn zijn instrument, opgenomen in het diepst van de nacht, in een krakend kerkje op Markabygda.
Soberheid en virtuositeit vinden elkaar naadloos in een reeks eigen composities die zich warm nestelen tegen traditionele melodieën. Ook voetritmiek is hem niet vreemd, getuige de op traditionele leest gecomponeerde Gorrlaus gangar en de traditional uit zijn geboortestreek Småland, Jens Sepllman. Heel wat dansmuziek dus, waarbij hij in de set Hilmar, halling en polka een traditionele ‘visetone’ (slow air) laat overgaan in twee eigen, vrij rauwe, archaïsch gekleurde composities vanuit zijn octaafviool. Een puik staaltje hardanger treffen we onder meer in Bjønnungesprengar.
Ook interessant is de set Johanna Balt, waarvan hij het tweede deel – die beschouwd zou kunnen worden als een Hongaarse reinlender – leerde van Baltazar Montanaro (de partner in crime van Sophie Cavez), terwijl hij de ballade Sven I Rosengård leerde kennen via Maria Kalaniemis Vilda Rosor. Met de reinlender Sursøt krijgen we een leuke kers op de taart. Krachtig, dynamisch en behoorlijk creatief!

 

Moenje – Klarvær
(Kirkelig Kulturverksted, FXCD 458)

We blijven nog even binnen dezelfde familie met dit kwintet waarin Hilde Fjerdingøy, die ook hier haar krachtige en groovy accordeonspel weet te demonstreren, en Jo Einar (viool, hiiu kannel of talharpa) het gezelschap krijgen van Marja Mortensson (yoik en zang), Fredrik Luhr Dietrichson (contrabas) en Øystein Aarnes Vik (drums en percussie).
Hierin reiken de Noorse volksmuziek en die van de Sámi elkaar de hand. Hoewel ze eeuwenlang elkaar gedoogden, vermengden ze zich zelden in de districten Helgeland en Trøndelag. Het was onder meer de legendarische Zweedse Sámiviolist Lapp-Nils (1804-1870) die de ban brak en de (politieke) conventies aan zijn laars lapte. Moenje haalt zijn inspiratie bij hem, en verkennen met brio de mogelijkheden om tot een muzikale interactie te komen tussen de zangtraditie van de Sámi en de viool- en accordeon traditie, meestal dansmuziek, uit Helgeland.
Hun naam verwijst naar het Zuidelijke Sámi woord voor ‘heldere hemel’. Ze willen immers, een wind aanwakkeren, die de wolken en mist, opgeworpen door Noorse verdeel-en-heers technieken, weet te verdrijven. Zo scheppen ze een open muzikaal landschap, waarin melodieën uit beide tradities verweven worden tot een nog rijker klankentapijt.
De opener is Räjnnobuoldan (‘de rendieren verzorgen’) is met de minimalistische bourdonbegeleiding op viool meteen een schot in de roos, uitmondend in een polsdans uit de traditie van Nils Rognrygg. Heerlijk zijn de terugkerende spanningsbogen. Fjerdingøy schreef zelf enkele nummers, zoals een heel dartele wals voor haar nicht Frida die gebreid werd aan Måjhtah bist laevie (een door Marja opgevist kinderlied uit de Zuidelijke Sámi-traditie), en waarbij haar accordeon het overneemt van de ritmesectie vooraleer ook de viool zich op de voorgrond werkt. Ook van haar hand is Polaris, opgedragen aan haar favoriete ster, een nummer waarin ritmesectie, zich in de finale metend met de yoik, heel jazzy instelt. Ook leidt ze met een heel intimistische eigen compositie de traditionele, met veel vibratie gebrachte slangpolska Utborden in. Jo Einar ruilt hier de viool voor de archaîsche talharpa, waarbij, met behulp van de ritmesectie en Marja’s yoik, een waardig crescendo opgebouwd wordt.
Een eerbetoon aan Lapp-Nils mocht hier niet ontbreken met een lichte, ook vocaal begeleide polska uit diens traditie. In de set polsdansen Velfjord verwijzend naar andere voorgangers slagen ze er wonderwel in om met enkele speelse intermezzo’s dreigende oubolligheid definitief uit te kloppen. Soms is less more, zoals bij de eenvoudige rifjes op contrabas als instrumentale begeleiding van de traditionele yoik Åabpa annan vuelie. Mortensson schreef er trouwens zelf eentje, Såephele, het elandkalf bezingend. Voorts bieden ze nog een nieuwe inkleuring van een tweetal polsdansen, respectievelijk uit Drevja (met vocale finale door Jo Einar) en Korgen. Ook aan deze laatste laste Marja een eigen yoik, Gaavesthke (‘Kronkelende rivier’).

 

Tradpunkt – Dansar här
(Sunniva Abelli Music, SAM002)

RIM’s nyckelharpaspeelster en zangeres Sunniva Abelli vinden we ook terug in het trio Tradpunkt, waar Caroline Eriksson en Madliene Ahlström Eriksson (beide op viool en nychelharpa) zich bij haar voegen. Samen zetten ze de focus op de traditionele dansmuziek uit het Zweedse Södermanland (waarbij ze veel materiaal terugvonden in een verzameling uit Mörkö), en hieruit geïnspireerde eigen composities.
Hierin speelt ook de zangtraditie een belangrijke rol. Ze zoeken dit materiaal te interpreteren vanuit de oorspronkelijke dansvormen, en er tegelijk een persoonlijke kruiding aan toe te voegen, die leidt tot muziekpraktijk die de 21ste eeuw kan doorstaan. Talrijke dynamische wendingen vormen hierbij één van de ingrediënten.
Ze kozen ervoor om dit album live op te nemen, in het gezelschap van drie professionele dansers, die hen ook tijdens de concerten vergezellen. Hun voetenspel blijft dan ook niet onopgemerkt en biedt een trefzekere ritmische ondersteuning aan de set dansen. Prominent aanwezig zijn ze bijvoorbeeld in de scottish Gubbelubb. De eerste gezongen dans O tysta ensamhet (‘Oh stille eenzaamheid’) ent zich perfect op de minder gekende Snoa/polkett.
Origineel is zeker de in pizzicato’s ingespeelde vispolka Vi ska dansa med Sara (‘We willen dansen met Sara’), versierd met een pittig jodelrefreintje op Scandinavische wijze. Iets gelijkaardigs vinden we nog terug in de vrolijke vispolka Holländargatan (‘Hollanderstraat’). Her en der duiken uiteraard ook slängpolskas op, waarvan de titelsong een fris voorbeeld vormt, maar we treffen ook een traditioneel Menuett, oorspronkelijk beschreven als polska, terwijl Sunniva ervan overtuigd is dat een menuetdans hier beter op zijn plaats is. Het vormt in elk geval één van de meest barokke, plechtstatige nummers op dit album.
Voor enkele nummers kropen ze zelf in de pen. Zo componeerde Caroline het tweede deel van de slangpolska Ragatan (‘De heks’), schreef Sunniva Elins vals, en droeg Madliene bij met een eigen scottish als afsluiter Äh, jag tror ja’ska ta å’ gå hem ja (‘Wel, ik denk dat ik nu naar huis ga’).
Meer dan binnen de eerder beschreven projecten wordt hier volledig ingezet op balfolk.