Rumbaristas

Rumbaristas
(Via Lactea, Xango Music Distribution, VLR 016)

Het titelloze debuutalbum van Rumbaristas, een multinationaal kwartet rond de Aragonese, in Barcelona verblijvende, rumbero Willy Fuego (gitaar en zang, ook gekend van onder meer Amparanoia), de Frans-Siciliaans-Poolse multi-instrumentalist Thomas ‘Don Tomasino’ Morzewski (trompetten, zang, piano, accordeon, orgel, ook Orchestre International du Vetex) en het gefocuste avantgarde Think of One-duo, bestaande uit Roel Poriau (drums, percussie, vibrafoon en backing vocals) en Thomas de Smet (basgitaar, contrabas, moog, zang, palmas, zie ook Zita Swoon, Laïs, King Dalton) staat borg voor herniabestrijdend heupgewieg.
Ze ontdekten dat er een nieuw authentiek geluid kon geproduceerd worden door de rumba catalana van Fuego te laten flirten met de Italiaanse tarantella en Balkan-uptempo, ingebracht door Morzewski. Latin met ballen levert dit op, een wilde mengeling bijgekruid met een toets ska, folk, reggae, cumbia, gnawa, samba en… een snuifje avant-garde.
Het album opent onder ‘droge’ percussie evenwel met een ietwat nostalgische urban ballade, die de onmogelijkheid van de liefde suggereert met ‘Como como’. Uitbundig huppelen we vervolgens door de rietvelden in Canhaveral, die het aurora vormen tussen aarde en hemel. Ook filosofischer dan op het eerste zicht lijkt is hun ‘Mala Hierba’, waarin bassist Thomas De Smet in de refreinen de essentie mee herneemt in het Antwerps, een cynische bezinning over de relativiteit van het bezit. Taalwissels doen zich ook voor in Panda Revolution, waarin Italiaans, Spaans en een Engels lijntje taalgrenzen opzij zetten. De titelsong zelf evolueert naar een ultieme ode om in vrijheid je weg te kiezen.
Nostalgischer weerklinken nummers als Vivir sin tí en het Italiaans tarantella-gekruide Bruciamo la Candela, waarin Morzewski zich eens te meer laat verleiden tot heel gevatte intermezzo’s op trompet en accordeon, terwijl de basgitaar af en toe zwaar doorhaalt. Dit geldt ook voor een andere tempobreker – en deze zijn binnen een dergelijk repertoire altijd welkom – is ongetwijfeld het eerder somber dreigende Que lío (‘Wat een puinhoop’), dat in de finale weliswaar alsnog op volle snelheid komt. Brilliant is de subtiele trompetintro die Isola, alweer in het Italiaans gezongen, naar de Balkan tilt, eindigend op een portie scratches van DJ Courtasock. Met orgelklanken vliegen eruit als op een dolgedraaide kermismolen, aangezwengeld door de helse tarantellaritmes van Ciuri ciuri.
Roel Poriau, die de Porino Recording Studios te Borgerhout beheert, stelde deze open voor producer David Bourguignon die alles in goeie banen leidde en de laatste afwerkingstoetsen hielp verzorgen. Eén en ander draagt ertoe bij dat niet in de valkuil getrapt wordt van constante instrumentale overdrive. De door hen uitgewerkte arrangementen met een heel stevige, strakke ritmische onderlaag, laten heel wat ruimte voor de virtuoze inkleuringen van Fuego en Don Tomasino. Een bezetting met muzikanten die hun pluimen elders reeds verdienden, en hier gezamenlijk een meerwaarde scoren. Zij verdienen wereldwijd zeker hun plaats op wereldmuziekpodia.