Salif Keïta

Salif Keïta draait al ruim vier decennia mee in de muziek. In totaal heeft de Malinese zanger tot nu toe zo’n 20 cd’s op zijn naam staan. Eind vorig jaar kwam La différence uit. Afgelopen maart was Keïta voor een korte promotietour in ons land. Zijn optreden in Theater Carré maakte diepe indruk. Een goed moment om bij deze artiest en zijn nieuwe album stil te staan.

Salif_CoverDe in 1949 geboren Salif is een telg uit de keizerlijk geslacht en in directe lijn afstammeling van de stichter van Mali, keizer Sundiata Keita (1217-1255). Omdat hij echter de pech had om als albino te zijn geboren, heeft hij de privileges van zijn nobele afkomst nooit mogen smaken. Integendeel, zijn familie moest niets van hem hebben, en ook werd hij met de nek aangekeken door de Madinka-stam waartoe de Keita’s behoren. Maar het was niet alleen zijn huidskleur die hem tot een buitenbeentje maakte. Ook zijn muzikale aspiraties die hij al op jonge leeftijd koesterde, werden hem niet in dank afgenomen. Mensen van adel hoorden niet hun brood te verdienen met het maken van muziek. Daar had men muzikanten voor, ambachtslieden die daarvoor betaald kregen. Keita ging een lerarenopleiding volgen. Toen bleek dat hij vanwege zijn slechte gezichtsvermogen, een bijeffect van zijn albinisme, ook voor dat beroep niet geschikt zou zijn, werd het hem duidelijk dat hij maar beter zijn hart kon volgen. Daarom verruilde hij in 1968 zijn geboorteplaats Djoliba voor de hoofdstad Bamako. Vanaf dat moment zou zijn leven volledig in het teken van de muziek komen te staan.

Na een korte periode in Bamako de kost te hebben verdiend als straatmuzikant, werd Keita begin jaren ’70 gevraagd als zanger voor de toen al legendarische Rail Band, waar zich later ook de Guinese zanger Mory Kanté bij zou aansluiten. Deze Afro-Cuban band was toen razend populair in Mali. In 1973 stapte hij over naar de grote rivaal van de Rail Band, Les Ambassadeurs du Motel. Halverwege de jaren ’80 verliet Keita Les Ambassadeurs om zich in Parijs te vestigen en aan een solocarrière te werken. In de jaren die volgden experimenteerde hij met wisselend succes met diverse muziekstijlen, waaronder pop, funk, fusion, jazz en latin. Met het album Soro, in 1987, wist hij onder de aandacht van een westers publiek te komen. Zijn internationale doorbraak was in 1991, met Amen, dat hem een Grammy-nominatie bezorgde. Na de eeuwwisseling keerde Keita terug naar zijn geboorteland, waar hij in Bamako zijn eigen opnamestudio, Wanda Production, liet bouwen. Deze terugkeer luidde een herontdekking in van zijn rijke muzikale roots, wat resulteerde in prachtige cd’s als Moffou (2002) en M’Bemba (2005), die eveneens werden genomineerd voor een Grammy. Met La Différence zet hij deze lijn voort. In Frankrijk leverde dat hem de prestigieuze Victoire de la musique-prijs op voor het beste wereldmuziekalbum van 2010.

La Différence is zijn tot nu toe Keita’s meest persoonlijk album, in die zin dat hij stilstaat bij wat zijn eigen lot volledig heeft bepaald: het albinisme. In Afrika zijn albino’s hun toch al moeilijke leven verre van zeker en moeten ze altijd en voor iedereen op hun hoede zijn. Vaak zijn zij het slachtoffer van discriminatie, mishandeling en moord. Albino’s worden beschouwd als vervloekten, onaanraakbaren. Het bloed en de ledematen van vermoorde albino’s zijn de macabere inzet in voodooachtige praktijken die zogenaamd het kwaad moeten afweren en degenen die deze trofeeën weten te bemachtigen, voorspoed moeten brengen. Ieder jaar worden er om die reden vele tientallen albino’s op gruwelijke wijze omgebracht in landen als Mali, Burundi en Tanzania.

In 2001 richtte de zanger de stichting Salif Keita pour les albinos op met als doel het geven van voorlichting en het bieden van allerhande praktische hulp en voorzieningen voor albino’s. Een belangrijk deel van de opbrengsten van La différence komt ten goede van deze stichting. Hoewel Keita zich al zijn hele leven heeft ingezet voor zijn lotgenoten, heeft hij nooit eerder het albinisme tot thema van zijn muziek gemaakt. In het titelnummer stelt hij nuchter vast dat een andere verpakking niets afdoet aan de inhoud, en dat het verschil de wereld alleen maar mooier maakt: “Je suis un noir, ma peau est blanche. Je suis un blanc, mon sang est noir. Et moi j’aime bien à ca. C’est la différence qui est jolie”. De reden waarom Keita zich genoodzaakt ziet om dit onderwerp juist nu tot een statement te maken in zijn muziek, is dat de wreedheden die albino’s op he t Afrikaanse continent ondervinden eerder toe- dan afnemen, terwijl de autoriteiten uit gêne of onverschilligheid nauwelijks actie ondernemen om daar verandering in te brengen. Zolang er in Afrika een taboe op het onderwerp rust, zal het ook nooit op enige politieke agenda komen. De zanger gebruikt zijn sterrenstatus om internationaal de aandacht op te eisen voor een categorie humanitair leed die dan wel onderkend wordt, maar die in de ogen van de wereld te klein is in vergelijking tot bijvoorbeeld de aidsproblematiek, de voedselcrises, de milieuvervuiling of de kindsoldaten, om serieus te worden aangepakt.

Keita smeekt Afrika om zijn lotgenoten als normale medemensen te behandelen en ze niet langer te beschouwen als vervloekte wezens. Tegelijkertijd wil hij albino’s een hart onder de riem steken door het levende bewijs te zijn van een albino die ondanks – men zou ook kunnen zeggen: dankzij – alle tegenslag en vooroordelen, de moed nooit heeft opgegeven. Hij is een uiterst gerespecteerd en charismatisch muzikant geworden. Nu heeft Keita zelf veel geluk gehad omdat hij gezegend is met een prachtige stem. Hij is de uitzondering die de regel bevestigt. Toch geeft zijn succes vele mensen hoop en wakkert het hun doorzettingsvermogen aan. Dit is een enorme open deur, maar voor Afrika, waar positivisme het enige medicijn is tegen uitzichtloosheid, is het een boodschap die wel degelijk beklijft.

Het albinisme heeft Keita gemaakt tot wie hij is. De man die voorbestemd was om in de voetsporen van zijn voorouders te treden en een zakenman, diplomaat of staatsman, wie zal het zeggen, te worden, werd uiteindelijk een van de beroemdste zangers die Afrika ooit heeft voortgebracht. Het laatste is ook al bijzonder omdat Keita geen griot is. Griots vormen de West-Afrikaanse kaste van verhalenvertellers, lofzangers, dichters en muzikanten. In de Madinka-cultuur waarvan Keita deel uitmaakt, worden zij ook wel aangeduid als djeli. Zij hebben beroemde achternamen als Kanté, Diabaté, Kouyaté, Kamissoko, Cissokho, Koné, Soumano of Dambele. Een Malinese griot die de laatste jaren internationaal bijzonder populair is in Europa en de Verenigde Staten, is Habib Koité. Ook de Senegalese zanger Youssou N’Dour is een griot. Natuurlijk wil dit niet zeggen dat een succesvolle muziekcarrière in landen als Mali en Senegal voorbehouden is voor griots. Er zijn naast Salif Keita genoeg voorbeelden te noemen van Malinese artiesten die geen griot zijn, zoals de populaire zangeres Rokia Traoré, of de in 2006 overleden Ali Farka Touré. Toch is Keita zich altijd bewust gebleven van de scheidslijn die er is tussen zijn eigen elitaire komaf en de wereld van de griots. Hij benadrukt keer op keer dat hij zingt puur om uitdrukking te geven aan zijn eigen emoties en opvattingen (bijvoorbeeld over milieuvervuiling en armoede), en dus geen griot kan zijn, wiens zang of muziek altijd ten dienste staat van de sociale gemeenschap. Dat hij van de muziek moet leven, maakt hem niettemin een concurrent van de griots. Het verhaal gaat dat zijn grootvader er zo’n moeite mee had dat Salif onder de duiven schoot van de beroepszangers, dat hij een aantal griots daar financieel voor compenseerde.

Mali kent een enorme verscheidenheid aan volkeren met rijke, eeuwenoude muziektradities. Daarnaast heeft het, ondanks een turbulent politiek verleden, een lange geschiedenis van vreedzame co-existentie van de verschillende bevolkingsgroepen. Dit heeft ertoe bijgedragen dat de muziekcultuur zich altijd heeft kunnen doorontwikkelen en dat artiesten, meer dan waar dan ook in Afrika, openstaan voor nieuwe invloeden en opvattingen. Dat geldt in bijzondere mate ook voor Keita. Daar komt bij dat hij veel tegenstellingen in zich verenigt: de niet-griot die zich de status van griot heeft aangemeten, de aristocraat die griot is geworden, de witte zwarte, de Afrikaan en – in zijn talent om Afrikaanse muziekstijlen te laten versmelten met Europese – de westerling. Verder combineert hij in zijn muziek traditionele Afrikaanse stijlen met islamitische elementen uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten (Mali is overheersend islamitisch en ook Keita is moslim). Op La différence is dat te goed horen op ‘Gaffou’, waarin een hoofdrol is weggelegd voor de ud, en vooral op het hartverscheurend mooie ‘Samiga’, waarop een Arabisch strijkorkest is te horen.

Discografie:

Soro (1987, Mango)
Ko-Yan (1989, Mango)
Amen
(1991, Mango)
Destiny of a noble outcast (1991, PolyGram)
69-80 (1994, Sonodisc)
Folon
(1995, Mango)
Rail Band
(1996, Melodie)
Seydou Bathili
(1997, Sonodisc)
Papa (1999, Blue Note)
Mama (2000, Capitol)
Sosie
(2001, Mellemfolkeligt)
Moffou
(2002, Universal)
M’Bemba
(2005, Universal)
The lost album
(2006, Cantos)
La différence (2009, Emarcy)

Tags: