Sido Martens, verbazing & verwondering

Al ruim vier decennia is Sido Martens actief als muzikant in folkgeoriënteerde groepen en als solist. De meeste bekendheid vergaarde hij met Fungus, maar de laatste jaren weet hij zich als maker en vertolker van introspectieve Nederlandstalige liederen nadrukkelijk in de kijker te spelen. Natuurlijk een kijkje achterom, maar vooral ook veel hier en nu. En enig licht op de vraag waar de verschillen zitten tussen het solo opereren en het spelen in een band.

Sido Martens (foto: Reyer Boxem)

Nadat ik in 1975 uit Fungus stapte heb ik heel lang als solist opgetreden. Uiteindelijk stopte ik rond 1982 helemaal met muziek. Toen ik in 1995 gevraagd werd op de melodie van Kaap’ren varen een wervende tekst te maken om Friesland te promoten, vond het reclamebureau dat ik dat zelf wel kon gaan zingen en spelen, want ik speelde tenslotte ooit in die band… Zo geschiedde, ik stapte uit mijn eigen schaduw en begon weer liedjes te maken en op te treden. Eerder had ik al bezworen dat nooit meer in mijn eentje te doen, maar ja, de praktijk is weerbarstig. Logistiek en vooral ook financieel is een bandje meestal een moeizaam verhaal. Het is eenvoudiger en goedkoper alleen te gaan. Bovendien kun je dan lekker je eigen gang gaan, want ik ben in aanleg toch wel een solist, een einzelgänger. Solo is moeilijker, je kunt je niet verschuilen en moet met de billen bloot, ook als je je dag niet hebt en het niet lekker gaat. Bovendien mis je de interactie met medemuzikanten, want die voegt wel een dimensie toe. Maar ik heb geen hekel aan solo optreden. Gelukkig spelen we tegenwoordig met enige regelmaat als trio: Lielian Tan op drums en Willo de Bildt op basgitaar, die ook meespelen op de cd Drang. Dat vind ik toch wel weer heel mooi om te doen.

Drang verscheen via Munich. Wat is in de praktijk het verschil gebleken met uitgeven in eigen beheer?

Je distributie is beter, je bestrijkt een groter gebied. Bovendien heeft Munich iemand in Hilversum die de media kan voorzien. En een heus label heeft dan wat meer zeggingskracht. Maar ik moet zeggen dat via mijn eigen website en optredens ik toch ook wel mijn doelgroep, die echt klein is, bereik. Ach, de verkoop van cd’s zit al jaren in het slop. Grote aantallen verkoop ik dan ook niet, kom zelfs niet uit de kosten. Toch vind ik het belangrijk mijn muziek via een geluidsdrager onder de aandacht te brengen. Voor mijn gevoel is zo’n schijfje een mooie, ook letterlijke, afronding van het hele proces van liedjes maken.

Hoe blijf je geïnspireerd?

Er is met muziek, met tonen en klanken, zo veel mogelijk. Dat verbaast en verwondert me altijd weer, ’t is steeds een ontdekkingsreis. Je zit gewoon wat te pielen en dan is er plotseling een melodie, een loopje, een gekke toon, een wringend akkoord. Tenminste, zo werkt het bij mij. Puur intuïtief, al associërend maak ik ook mijn teksten. Niet met een vooropgezet plan van nu wil ik een zus-of-zo liedje maken. Ik doe gewoon, laat het komen. Opmerkelijk is wel dat in retrospectief heel veel liedjes wel degelijk een afgerond verhaal vertellen en dat ik toch precies zeg wat ik bedoelde en voelde. Vaag, ik weet het, maar fascinerend blijft het. Dat is maar goed ook, anders zou het een kunstje worden. Maar ik kan ook wel over een specifiek onderwerp schrijven, als ik me bijvoorbeeld boos en triest voel over het onrecht dat Foekje Dillema is aangedaan, dan voel ik haar verdriet, die machteloosheid en laat dat neerslaan in de tekst. Tenminste, dat probeer ik dan.

Wanneer het ophoudt? Tja, ik weet het niet. Misschien nooit, misschien morgen, ik heb me daar wel eens druk om gemaakt, maar daarmee frustreer je alleen jezelf. Heb uiteindelijk wel geleerd meer te relativeren, dat kon ik vroeger heel slecht. Maar het leven dwingt je er wel toe. Dat klinkt dramatisch, maar als je dat niet oppikt wordt het nog veel moeilijker allemaal. Ben van nature al geen een lachebekje. Het gekke is dat het lijkt alsof er steeds meer komt, dat het niet stopt. Verontrustend bijna. De hoogste tijd om eens een keer goed en langdurig in therapie te gaan, ha.

Als je de periode overziet van jouw start als muzikant tot nu, wat valt je dan op?

Sido Martens (foto: Auke Wiersma)

Dat muziek maken in het algemeen professioneler is geworden. Veel meer een beroep dat je uitoefent. Eerder was het een hobby: ach, leuk dat je gitaar speelt maar waar wil je dan van leven, in die trant. Je rommelde maar wat aan. Dat deden ook veel zaaleigenaren en organisatoren, dat heeft me nog veel bezoekjes en uitleg gekost bij de Belastingdienst. Je was maatschappelijk vogelvrij. Nu is het beter gestructureerd.
En het opnemen is dankzij de digitale techniek een stuk eenvoudiger. Toen ik met Fungus voor het eerst in de studio zat in 1974 was dat heel bijzonder. Je had een handjevol echte studio’s in Nederland, nou dat was wat. Een schoolreisje, je keek je ogen uit in die grote EMI studio in Heemstede. Maar de druk was groot: een beperkt aantal dagen en dan moest het klaar zijn.

Toen ik mijn eerste solo-elpee opnam in 1976 had ik vier dagen: drie om op te nemen en één om te mixen. Bij de tweede plaat ging het dan ook mis: ik speelde, afgezien van de drums, zelf alle instrumenten, moest een soort Nederlandse Mike Oldfield worden. Alleen had die een jaar de tijd, een 24-sporen Studer thuis en meer talent, ha. Van dat gedoe raakte ik echt overspannen omdat ik steeds door moest: ging de gitaar niet, dan maar de bas, lukte de mandoline slecht, dan maar enzovoort. Brrr. Nu heeft iedere muzikant thuis wel iets staan waar je hoogwaardige opnames mee kunt maken. Dan heb je de tijd aan jezelf. Zo doe ik het nu ook. En hoewel echte tape toch lekkerder klinkt, is het gemak van digitaal niet te versmaden. Alleen: maak op tijd je back-ups, want anders… Helaas door schade en schande wijs geworden.

Maar zonder passie ben je nergens. Opleidingen zat, maar muzikant zijn is geen truc die je kunt leren, dat is een overtuiging die nooit tot wasdom komt zonder talent en bevlogenheid. Ik ben begonnen omdat muziek mij ontroerde, raakte, iets losmaakte, me steunde. Of dat in mijn geval nu door bijvoorbeeld Bob Dylan, The Small Faces, Vivaldi, Bert Jansch, Tim Buckley, Stravinsky, Sandy Denny, Frank Zappa, Tony Williams, The Who of Jack Bruce kwam, de ontroering, dat onnoembare en onbestemde gevoel, die verwondering is essentieel. Kriebels in je buik, kippenvel op je armen, een soort van verliefdheidskoorts.

Wat mag niet verloren gaan?

Integere muziek. Oprecht en eerlijk. Ik probeer dicht bij mezelf te blijven. Wat ik maak is wat ik ben. Dan maar voor een bescheiden publiek. Status of roem bewust najagen is jezelf voor de gek houden. Dat werkt niet. Net als het recept voor een hit. Hoe vaak kwam dat vroeger niet aan de orde bij de platenmaatschappij? Met Fungus, maar ook bij mijn solo-platen: er moest een hit komen. Kaap’ren varen, een bescheiden hitje, is gewoon ontstaan zonder hitgedachte. Uitgangspunt was: muziek maken zoals wij dat wilden en voelden op dat moment; dan en daar. Dat principe, die instelling moet je koesteren.

Wat moet nooit meer terugkomen?

De gedachte dat folk synoniem is voor geitenwollenssokken, gebatikte jurken en brandnetelthee. Niets ten nadele overigens van genoemde producten en al helemaal niet van de consument van dit alles. Zelf draag ik graag handgebreide geitenwollenwanten in de vrieskou, want gitaarspelen met verkleumde vingers is een straf, ha. Dat oubollige en sleetse imago dat folk lang aankleefde is gelukkig verdwenen.

www.sidomartens.com

Foekje Dillema, potentieel wereldkampioene hardlopen, werd na een twijfelachtige seksetest in 1950 als man aangemerkt en geschorst. Die vernedering heeft Dillema, die niet over de affaire wilde praten, nooit kunnen verwerken. Het definitieve bewijs voor haar manzijn is nooit geleverd.

Ze liep als een kerel, maar ze bloedde als een vrouw. Levend begraven door wie haar lozen wou. Dat is de tekst die Sido Martens zingt in het door hem gecomponeerde lied Ballade voor Foekje.