Spilar – Stormweere

Stormweere
(Trad Records, Trad10)

Een nieuwe Vlaamse superband – en weinigen zullen me dit superlatief kwalijk nemen – schaart zich met de stemmen van Eva en Maarten Decombele (mandola, gitaar) rond oude liedjes van bij ons, omspannen met de snaren van de andere leden van Snaarmaarwaar, Ward Dhoore (mandoline, syntheziser) en Jeroen Geerinck (gitaar, keyboard, syntheziser), èn met Louis Favre op drums.
Op liedteksten die deels afkomstig zijn uit liedboeken, zoals de rond 1906 opgetekende Klacht van een verstoten minnares (in 1952 opgenomen in Oudkempische Volksliederen en Dansen door Theophiel Peeters) of het veel oudere Myn herte/Drie Lantsheeren uit Chansonnier de Tournai uit de tijd van Margaretha Van Oostenrijk.

Maarten zette in op de tekstvertalingen en -bewerkingen in het een pittig West-Vlaams. Net als in het eerste nummer overvalt ons de passie en triestheid in de teksten, terwijl de frisse snaren troost bieden. Waar Eva het eerste luik voor haar rekening trekt, zet Maarten de Lantsheeren op gang, waarna beiden elkaar vinden in prachtige slotrefreinen. Recenter werk is er onder meer met een vertaling van Brel’s ‘Pertank’ waar, zonder zich te vergalopperen in stijlbreuken, subtiele synthetische klanken de pathetiek versterken. Eva weet met haar interpretatie van Voor Marie-Louise ongetwijfeld ook Willem Vermandere, de componist van dit pareltje, te ontroeren. De dramatische wending doorheen het crescendo in de voorlaatste strofe dringt diep door.
Verrassend ook hoe ze aan enkele kerstliederen zoals het Utrechtse, middeleeuwse Sijver maecht, dat ze terugvonden in het Utrechtse Sint Agnes handschrift (1480-1500) en het Damse, door Roger Hessel bij Irene Allemeersch in Moerkerke opgetekend en in Het volkslied in West-Vlaanderen (1980) gepubliceerde Sterre moderne arrangementen weten te breien. Ook voor Roosendaal haalden ze de ingrediënten boven de Moerdijk, meer bepaald uit een Hollands liedboek, Amsterdams Liedboek (1602). Eén oorlogsballade, Germaine uit Le guetteur Wallon (Rose Thisse-Derouette, 1965) verkiezen ze in de oorspronkelijke taal – het Frans – uit te zingen.
Met Komt er een end weet Maarten zich ontegensprekelijk als een volwaardige kleinkunstcomponist te ontpoppen. Hij blijft maar verborgen kwaliteiten uit zijn hoed toveren. Geraffineerd is ook hun interpretatie van Wannes Van de Velde’s Verdronken land. Deze topschijf eindigt met een instrumentaaltje dat Maarten opdroeg aan zijn Willem.
Op al dit moois enten ze een radicaal eigen sound, vooral ingekleurd door de warme en sprankelende sferen waarin hun snarenspel zich dansend en deinend beweegt. Gemarineerd in de in het West-Vlaams ingezongen vertolkingen, overtreft de glans die deze nummers uitstralen met verve de schittering van weleer, ook op het vlak van de instrumentale arrangementen. Met naast Maarten ook Jeroen en Ward aan het roer hoeft ons dat helemaal niet te verwonderen. Hun klankschilderijen zijn dermate sprankelend, sensitief en inventief dat het te betreuren valt dat we op een nikkelschijfje niet in staat zijn de klanksporen uit te splitsen. Mocht dat wel het geval zijn zouden we van drie cd’s in één kunnen genieten, nu eens het puur vocale, dan weer instrumentale of gecombineerde spoor verkiezend. Wordt dit nu reeds mijn album van het jaar?