Steeleye Span – Bloody men


Bloody men
Luisteren
(Park PRRCD91 / Music & words)

Even dacht ik een verkeerde cd in de speler te hebben gestopt. Een strak meppende drummer krijgt assistentie van een funky jazz spelende basgitarist met intro solo. Een sterk vervormde, Metal-achtige gitaar zet de riff in. Effe kijken, maar nee, toch Steeleye Span. Dan de eerste herkenbare melodielijnen en tekst. Onmiskenbaar.

Dit is gerenoveerde versie van The bonny blackhair. En krijg nou wat: Maddy Prior is een avondje wezen stappen met Bonny Tyler en Marianne Faithfull. Ze klinkt schor, ruw, doch gedreven. Even later scheurt de gitaar van Ken Nicol als Richie Blackmore in zijn beste dagen. Klasse. Het verrassende begin wordt gevolgd door een door Nicol en Peter Knight als in de beste Span dagen gearrangeerde traditonal The story of the scullion king. Voor het eerst past Nicol m.i. in het Span concept, met name ook omdat zijn stem een stuk beter en vooral vaster klinkt dan ooit te voren. Het dan volgende The dreamer and the widow is nog een akoestische ballad met de vocalen van Prior in de hoofdrol. Maar helaas…. Het meest creatieve van Bloody men is hiermee wel genoemd. Lord Elgin is gewoon een flauwe popsong en in The tree sisters vervalt Steeleye weer in de bekende rechttoe rechtaan rock . Dat wordt nog het beste gellustreerd door Cold haily windy night. Ook Steeleye Span lijdt, net als de collega’s van Fairport Convention, aan het succesnummers herhalingssyndroom. Wat ze daarmee beogen is met niet duidelijk, want een enkele uitzondering daargelaten zijn de reprises minder van kwaliteit. Het genoemde nummer, met een geforceerde duozang van Prior en Nicol voegt niets maar dan ook niets toe aan het origineel van de Span uit 1971 met oa Prior en Carthy. Anderzijds blinken de (slow) ballads niet uit door inventiviteit en variatie in de arrangementen. Zo wordt Whummail bore een doorsnee popsong met mat refrein. En net nu Fairports Ric Sanders de flageolettonen heeft afgeschaft, gaat Spans Peter Knight er mee aan de haal. Demon of the wall is de enige song die op de eerste schijf nog uitblinkt, vooral door het bottleneck gitaarspel van Nicol en omdat het visie heeft, getuige de ghostachtige stemmen die in het nummer zijn gemixt. Interessant had schijf twee kunnen zijn. In een vijftal songs zet Steeleye span hier de historie van Ned Ludd, een verzetsheld uit de 18e eeuw die zicht verzette tegen de industrile revolutie, op muziek. Part 1, Inclosure geheten, overtuigt het meest. In het slot Welcome the day hoor je een Maddy Prior als vanouds. Fel zingend en vol bravoure. De andere nummers worden opgefleurd met breaks, syncopen en theatrale zang, maar de composities klinken te geforceerd. Bloody Men is onmiskenbaar Steeleye Spans beste album uit de nieuwe eeuw en een revanche voor de zeer matige voorgangers. De patiënt is uit de coma ontwaakt, maar bij lange na nog niet beter verklaard…