Tobie Miller, ambassadrice van de draailier in de barokmuziek

De Canadese Tobie Miller groeide op in een familie van klassieke muzikanten en profileerde zich als fluitiste, zangeres en vooral ook heel gedegen draailierspeler. Na haar studies in Early Music Performance aan de McGill University (Montreal), verhuisde ze naar Basel om zich verder te bekwamen aan het Schola Cantorum Basiliensis.

Foto: Randall Cook

Sindsdienlaat ze zich opmerken in diverse ensembles, zoals het prestigieuze Les Musiciens de Saint Julien en richtte ze zelf twee ensembles op, La Rota en het hier verder aan bod komende Ensemble Danguy. Misschien is ze wel een van de enige draailierspeler die vanuit de oude muziek de draailier leerde kennen. Ook Matthias Loibner, waarmee ze regelmatig in duo optreedt, verdiepte zich reeds vaker in de wereld van de barok, maar genoot in zijn leerproces een totaal ander parcours. Jordi Savall, Christophe Coin en Wieland Kuijken kruisten eveneens reeds haar pad. Toch wat intrigerend dat iemand uit de ‘Nieuwe Wereld’ ons een boeiend stuk van onze ‘vergeten’ muziekgeschiedenis onder de neus komt schuiven. De voorbije jaren is het vooral het – naar hun illustere voorganger genoemde – Ensemble Danguy dat zich toelegt op dit wat miskende repertoire. Van hen verschenen bij het Belgische Ricercar-label de voorbije jaren een tweetal uitgaven die zeker enige duurzame aandacht verdienen, omwille van deze onverhoopte inkijk in deze toch wel verrassende wereld.

 

ENSEMBLE DANGUY
La belle vielleuse: the virtuoso hurdy gurdy in 18th century
(Ricercar, RIC 382, 2017)

Wat we lang onder de tafel veegden dient erkend te worden: naast de musette (barokdoedelzak) was ook de draailier in de tijd van Madame de Pompadour een groot succes. Beide instrumenten stonden toen (terug) op hetzelfde niveau als heel wat andere, en dat vindt ook zijn weerslag op nogal wat schilderijen. Het verhaal van de draailier is er nu eenmaal eentje van ups en downs.
De ‘prehistorische’ versie, het psalterium, gold in de middeleeuwen als essentieel begeleidingsinstrument voor (kerkelijke) monofone gezangen. De opkomst van de polyfonie in de 14de en 15de eeuw deed de draailier snel aan socio-muzikale status inboeten en kwam bij het volk terecht, waar het een drietal eeuwen vertoefde, vooraleer de hofdames in de 18de eeuw het opnieuw wisten te appreciëren. Dit leidde trouwens ook tot verschillende publicaties waarin instructies meegegeven werden. Eén ervan was Michel Corrette’s ‘La Belle Vielleuse’.
Zo verwierven meesters op dit instrument – waaronder Danguy en Dupuits – evenzeer naam en faam. Voortdurend tastten ze de grenzen van de speeltechnieken af. De charme van het instrument werd bezongen door dichters, wier teksten vervolgens diverse cantates inspireerden. Zo ontmoette de pastorale wereld het hof in een variëteit aan muzikale uitingen.

Het gezelschap hier bestaat uit Monika Mauch (sopraan), Ellie Nimeroski (viool), Caroline Ritchie (gamba en cello), Marc Meisel (klavecimbel), Esteban La Rotta (theorbe) en uiteraard Tobie zelf. Deze verzameling laat ons vooral kennismaken met werk van de eerdergenoemde Jean-Baptiste Dupuits, en enkele van zijn tijdgenoten waaronder Christophe Le Menu de Saint-Philibert, Louis-Claude Daquin, M(onsieur) Ravet, Michel Corrette, Charles Bâton en de meer bekende Jean-Philippe Rameau.
In die periode ontstond het modeverschijnsel bij de adel om hun perceptie van het landelijke leven te gaan idealiseren en imiteren, wat ertoe bijdroeg dat bouwers in opdracht aan de slag gingen om de draailier, op dat moment geassocieerd met blinden en boeren, te gaan perfectioneren. Gestileerde, verfijnde pastorale muziek vond zijn weg naar de hogere kringen, draailier en barokmuziek glipten mee in die stroom. Tussen 1725 en 1765 werden dan ook ongeveer 300 bekend gebleven werken gecomponeerd, die we grofweg in twee categorieën kunnen opsplitsen.
Er is het ‘eenvoudiger’ werk, die dat ideaalbeeld van het mythologische herderlijke landelijke leven evoceert, naast complexere composities die de stijl volgen van de kamermuziek uit die tijd. Met uitzondering van de hier uitgevoerde variaties van Michel Corrette op La Furstemberg vormen alle andere nummers hier tot de muziek die geschreven werd voor de professionele draailiervirtuozen uit die tijd. Het is in de eerste plaats het werk van Charles Bâton die onze aandacht trekt. Zijn vader Henri stond in de frontlijn om als bouwer het instrument te perfectioneren. Zijn modellen evolueerden verder tot wat we momenteel kennen als het prototype van het Centraalfranse model. De hier uitgevoerde Sonate IV van Charles bestaat uit een gracieus traag deel, gevolgd door een virtuoos middendeel, uitlopend op een gigue.
Een andere influencer was Ravet. Uit zijn Oeuvre I vertolken ze de derde sonate, één voor draailier en basso continuo, in sol klein. Het eerste deel bestaat uit een Allemande, wordt gevolgd door twee speelse rondos en sluit af met twee menueten en een ruwe tambourin. Hij staat zo mee aan de wieg van een eigen Franse stijl die zich onderscheid van de Italiaanse barokaanpak. Ook zijn sonate voor draailier en viool uit zijn Oeuvre II volgt die lijn, openend met een affectueuze trage beweging waarin de twee melodie-instrumenten zich door elkaar weven. Een luchtige Badine, een stormachtig Vivement en twee Tambourins sluiten dit tweede pareltje af.
Ook L’illustre Danguy mocht niet in het repertoire herinnerd worden. In een eerbetoon aan hem schreef ene Christophe Le Menu de Saint-Philibert (what’s in a name?) de cantate La Vièle (1742), waarin de draailier vergeleken wordt met Apollo’s lyra, hier met veel gratie ingezongen door Monika Mauch.
Danguy introduceerde het instrument in het Concert Spirituel, waarbij hij op verschillende gelegenheden samen met Charpentier vertoonde, die zich voor die gelegenheden van de barokmusette bediende. Het is een werk dat inzet met een pizzicato op viool en cello. Het meest interessant is misschien wel Jean-Baptiste Dupuits omwille van zijn experimentele en zelfs wat provocerende insteek, vooral wanneer hij de grenzen van de harmonie tegenover de bourdon naar nieuwe niveaus optilt, getuige de afsluitende Sonate VI (uit Oeuvre I) in sol klein, maar ook zijn Piéces de Caractère (uit zijn Oeuvre V), die de bijnaam La Dupuits kreeg. Dit vierdelige werk opent met een Prélude met arpeggios en gebroken akkoorden. Het wordt gevolgd door een complex rondeau in do klein, dat eveneens volgepropt zit met gebroken akkoorden. Het derde deel bestaat uit een Sarabande en rondo en twee menuetten, om tenslotte te eindigen in een licht en geanimeerd vierde deel.
In zijn cantate Le Bouquet, geschreven voor sopraan met obligato gespeelde draailier en viool weerklinkt andermaal de sopraan Mauch. Voor zijn gedurfde schrijfsels vond hij in uitvoerder Danguy een geduchte partner in crime. De benadering door Michel Corrette (in zijn methode ‘La Belle Vielleuse’) is totaal anders. Gezien hij voor heel wat instrumenten componeerde kan men zich de vraag stellen of hij de draailier als dusdanig beheerste. Zijn inbreng richtte zich toen reeds vooral naar bescheiden amateurbeoefenaars.
Heel wat composities voor andere instrumenten – waarin deze de draailier en musette poogden te imiteren – weerspiegelen de populariteit ervan in die tijd. De twee op dit album opgenomen Musette en rondeau voor klavecimbel van Louis-Claude Daquin (1694-1772) en Jean-Philippe Rameau (1683-1764) verwijzen hiernaar.

 

ENSEMBLE DANGUY 
Les saisons amusantes: Nicolas Chédeville after Antonio Vivaldi
(Ricercar, RIC 398, 2019)

Eén van de voorvechters van de draailier was zonder twijfel Nicolas Chédeville (1705-1782). Hij leefde in de ‘gouden eeuw van de draailier’. In 1739 publiceerde hij Les saisons amusantes. Het vormt een verzameling van transcripties van concertos van Antonio Vivaldi’s Concerto dell armonia e dell’inventione. Aansluitend op zijn bewerkingen van drie concerto’s uit de Vier Jaargetijden (‘Lente’, ‘Herfst’ en ‘Winter’) sloot hij dit productieve jaar af met drie concertos (Les Plaisirs de l’Éte, La Moisson en Les plaisirs de la Saint-Martin), die allemaal vorm kregen door het ontlenen van allerlei bewegingen die hij uit andere concerto’s uit de Vivaldi-collectie ontleende. Dit werk werd door de Oostenrijkse draailiergrootheid Matthias Loibner samen met het ensemble Les Éclairs de Musique terug onder de aandacht gebracht in 2002 (Arts-Music, 47669-2).
Voor deze versie dient zich een enigszins gewijzigde bezetting van Ensemble Danguy aan. Violiste Ellie Nimeroski krijgt het gezelschap van Amrai Shown Grosse, en verder zijn er Caroline Ritchie (cello), Nora Hansen (fagot), Sam Champan (theorbe en gitaar), terwijl Johannes Keller de klavecimbel laat weerklinken.

We bevinden ons in de absolute hoogdagen die de draailier kende. Toen zelfs Koningin Marie-Antoinette er één op de schoot nam hoeft het geen betoog dat talrijke edele dames haar voorbeeld volgden. Dit leidde er zelfs toe dat een tijd lang werkloze klankkasten van gitaren en luiten een nieuwe bestemming vonden na een grondige renovatie. Naast de eerder genoemde Bâton dynastie, treffen we hier ook de wieg van de Louvet-familie en Lambert.
Chédeville was dan weer iemand die gretig inpikte op de behoefte aan repertoire voor draailier en musette. Nicolas groeide op in en familie van muzikanten, hoboisten en musettespelers. Verschillende onder hen waren ook bouwers van deze instrumenten. Uitgangspunt voor zijn schrijfsels was het aanleveren van amusement en plezier, en om dit duidelijk te maken kregen zowat al zijn bundels ‘Amusant’ mee in de titel, zo ook waar het zijn bewerkingen betreft van concertos van Antonio Vivaldi, in zijn Les saisons amusantes (1739).
Hij was één van de componisten die zich nadat het embargo van Jean-Baptiste op het einde 17e eeuw plaatste op het uitvoeren van muziek, afkomstig uit Italië, opgeheven werd ook op deze stijl zou toeleggen, en hierbij vooral zijn oor te luisteren legde bij het werk van Vivaldi.  Meteen zag hij hier een uitdaging in om zowel de musette als de draailier te verheffen tot het hoogst mogelijke niveau van instrumentale techniek en interpretatie. Zijn materiaal voor zijn Les saisons amusantes, een pastiche van composities van Vivaldi, haalde hij rechtstreeks uit het origineel. Aanpassingen gebeurden enkel in functie van die de beperkingen op het vlak van de keuze van toonaard en modulaties die samenhangen met de bourdons van beide instrumenten.
Bij hem werden de ‘Vier Seizoenen’ van Vivaldi uitgebreid naar zes. De oorspronkelijke ‘Zomer’ werd evenwel vervangen door Les plaisirs de l’été en hij voegde er La moisson (‘De oogst’) en Les plaisirs de la Saint-Martin aan toe. Het materiaal hiervoor haalde hij uit Vivaldi’s Concerto Il piacere (RV 180). Het hoeft geen betoog dat hierin euforische taferelen uit het romantische landelijke leven breed uitgesmeerd worden. Le printemps, die deze suite van zes concertos opent, werd door hem noot voor noot aangepast voor bourdoninstrumenten. Dit deed hij ook voor de eerste en derde beweging van L’automne en de tweede van L’hiver, die hij gewoonlijk gebruikte als traag deel in L’automne.
Er kwam dus nogal wat puzzelwerk aan te pas. De andere delen van Les saisons amusantes haalde hij uit andere concertos in Il Cimento, die hij samenbracht in een mozaïek van pastorale thema’s. Hier paste hij vooral de lengte van enkele noten aan, deze die buiten het bereik van de draailier lagen werden binnen de grenzen getrokken, en zocht hij truukjes om de saaiheid van moeilijk te articuleren herhaalde noten te omzeilen.
Verder veranderde of herschreef hij cadenzas om de virtuositeit die op de draailier uitgespeeld kan worden te illustreren en zocht hij naar versieringen die een Frans accent leggen op de Italiaanse muzikale taal. Waar tegenwoordig snel argwanend zou gekeken worden of in dergelijke bewerkingsacties geen plagiaat kon binnensluipen, dan wel of dit getuigde van ‘luiheid’ of ‘schrijversblok’, was dit in die periode niet aan de orde. Men prees daarentegen deze gang van zaken omdat dit één van dè manieren was om muziek van de originele componist te verspreiden.
Zo reisden de composities terwijl de componist rustig thuis kon blijven. Zelf gaf Chédeville geen vaste instrumentale bezetting aan voor de uitvoering. Zo kon een blazer gerust de baslijn komen versterken, waardoor er op dit album voor gekozen werd om een fagot naast de cello te plaatsen.

 

Tobie Miller weet binnen deze barokke wereld als geen ander de vaak zo verguisde draailier op een meesterlijke wijze een volwaardige plaats te bezorgen binnen de ‘kunst’muziek. Draailierliefhebbers zullen aan deze uitvoeringen een heel lekkere, verrassende kluif, overhouden die hun nieuwsgierigheid zeker zal aanscherpen.