Wieringa Wikt en Weegt – Boeiende zangstijlen

Mijn eerste échte ervaring van “live” folk en folkpodia begon in Diemen. Ik danste al weer een tijdje bij danshuis Terpsichoré, toen iemand mij de tip gaf eens te gaan kijken bij Stichting De Draailier, als ik zo van die leuke deunen hield.

Niet van een bandje of plaatje c.q. schijfje, maar echt lévende muziek! En ja, dat had toch weer een heel eigen dimensie, een heel eigen charme. Na een aantal vrijdagavondjes in Diemen leerde ik daar mensen kennen die niet per se dansten, maar wel van folk en volksmuziek hielden. Onbewust de types zoals ik er een was en ben, maar ik was via “de dans” tot deze muzieksmaak gekomen. Op een avond had iemand het over een ‘raapavond’ in mijn babbelomgeving daar. Deze Folkclub bracht ook een (zeer simpel) gestencild krantje uit, waar iedereen iets in kon schrijven, als het maar met muziek te maken had. En ‘mensenhanden’ moesten het krantje bij elkaar rapen (de raapavond) en de laatste handen hadden een nietmachine. Ik deed weer mee vanwege het leuke “krantenidee”. Bij de raapavond vroeg iemand of ik ook mee wilde organiseren en zo zat ik weer aan een bestuurstafel.

Op een vrijdagavond bedachten we een Balkanavond met de toen al bekende groep Çalgija onder leiding van Wouter Swets. Geen volksdansmuziek, maar wél volksmuziek uit Zuid Joegoslavië, Noord Griekenland en Bulgaars Macedonië. Op een voorafgaande avond werd ik gebeld door een enthousiaste vrouw. Wij organiseerden een Balkanavond (hoe wist zij dat?) en zij wilde daar graag wat Balkanliedjes komen zingen. Mét haar koor! Maar wij hádden al een live orkest. “In hun pauze moment dan, we zoeken podiumervaring”, klonk het door de telefoon.

Onze folkavonden werden niet altijd heel druk bezocht en Balkanmuziek was ook nogal ‘specifiek’ destijds. En de niet zo dure drankjes hadden we natuurlijk niet voor niets ingekocht, dus als ieder koorlid een betalende vriend, vriendin of familielid meebracht dan mochten ze wel wat komen zingen. Kans voor nieuwe liefhebbers die de weg hadden gevonden naar onze activiteit én kans voor drankverkoop.

Çalgija was heel fijn om naar te luisteren en in hun pauze voor een goedgevulde zaal zong het 25 leden tellende koor de sterren van de hemel. Bulgaars, Macedonisch, Roemeens, Albanees en alles 4-stemmig. Na hun kleine optreden vroeg ik aan mijn contactpersoon waarom er maar twee mannen bij hun koor meezongen. Die lage stemmen kleurden zo mooi in die liedjes. “Mannen willen niet zingen, mannen willen voetballen; mannendingen doen” kreeg ik als antwoord op mijn vraag. Of ik mee mocht doen (of ik kon zingen wist ik toen nog niet). Ze keek alsof ze het miljoen had gewonnen, met nog nét geen tranen in de ogen.

Ik moest een stemtest doen bij iemand achter een piano op een huisadres die beroepsmatig verstand had van deze zaken en die dame bepaalde dat ik tenor was. Pas na drie, vier keer meegezongen te hebben – met nog enkele tenoren om mij heen – herkende ik mijn eigen stem in dat grote geluid. Naar mate je langer zingt, wordt je stem soepeler en elastischer. Een jaar later met meer zingende mannen om mij heen werd mijn stem vanzelf tenor/bariton, wat wel handig was bij sommige liedjes als niet alle mannen de repetitie bijwoonden. Noten lezen kon ik niet, maar mijn partij onthouden lukte heel goed. In het ‘koorlandschap’ destijds in Nederland was ons Balkankoor ‘Papucska’ tamelijk uniek. De Slavische liederen, zo folkloristisch en authentiek gebracht in een soort fantasie Balkankostuum hoorde je bijna nergens in de tachtiger jaren. Al gauw waren we een aantal keer ‘huisensemble’ bij het VARA radioprogramma Für Elize, opgenomen in de kleine zaal van het concertgebouw Amsterdam en als ‘binnenkomer’ op een gemeentelijk nieuwjaarsborrel in de grote zaal van dat beroemde gebouw. En later op méér officiële momenten werden we besteld. Als amateurtje kun je dus vér komen als je iets bijzonders te melden hebt. Zo baart oefening best wel grote kunst heb ik ervaren.

Vooral die Bulgaarse koorzang is soms zéér spannend en echt voor fijnproevers. Sommige van die muziek is echt wennen; de noten liggen zo dicht bij elkaar dat het bijna vals klinkt en schril, maar dat is suggestie die deze melodietjes oproepen en dat hoort bij de Bulgaarse traditie. Ik roep nog wel eens bij minder zuiver gespeelde muziek: ”dat is waarschijnlijk ‘etnisch verantwoord’ en bij sommige Bulgaarse traditionele stijlen is dat écht zo. De Bulgaarse groep Oranitza heeft in dit kader een bijzonder album gemaakt door de oude traditie te koppelen aan de moderne geluiden van jazz en ambiënt .

Alter ethno is de juiste titel van hun cd uit 2019. De polyfone opener doet een argeloze luisteraar haast besluiten om het cd-tje verder maar voor gezien/gehoord te houden. De avontuurlijke luistervink weet het ook na de baritonsax uit te houden in het tweede stuk en dán bij track 3 met een kaval fluit opener en de juiste galm is de balans écht gevonden. Er gebeurt veel op deze cd, maar de puristen zijn dan zéker al afgehaakt. Dit is een soort ethno fusion of ethno ambiënt en spannend is het wel. Geen muziek die ik dagelijks zou opzetten, nét als dat ik dat met klassieke muziek heb: afhankelijk van mijn stemming, maar nergens verveelt het. Track 5 doet vermoeden dat didgeridoo ook mee mag doen en track 6 heeft echt zo’n Bulgaars syncopisch ritme en ook enkele ritmische mannenstemmen gaan hier een verhaal aan met een enkele vrouwenstem. Voor de Bulgarofielen onder ons is dit toch wel gaaf, maar zoals gezegd: niet écht etnisch, maar wél met genoeg traditioneel idioom om folk te heten.

‘Ondergaan’ zou ik zeggen en na enkele draaibeurten ga je vanzelf genieten van deze ethno fusion jazz.

In de loop der jaren is Wouter Swets niet meer onder de levenden, heeft Çalgija ook wisselingen doorgemaakt en heten ze nu Çalgija III. Op 10 maart in The Jungle in Amsterdam brachten ze muziek van hun laatste cd, met pas herontdekte opnamen uit de begintijd met Wouter Swets.

De cd Unforgotten music from the Balkans and Anatolia, opgenomen in de Jaren ’80 als tweede album voor Çalgija II en gedigitaliseerd in 2019 met Balkantradities van vóór het toerisme vanaf de jaren ’50. Wouter Swets, muzikant, etnomusicoloog en veldwerker was de eerste Nederlander die ons kennis liet maken met de Balkan muziektradities.