Wieringa Wikt en Weegt: boventonen

Ooit schreef ik recensies voor Mokum Folk Agenda, waarin de aankomende wereldmuzikale en folk optredens werden aangekondigd in Amsterdam en wijde omtrek – soms ver weg in Nederland. De Stichting had mijn folkcafé activiteiten ‘geadopteerd’ toen ik er alleen voor zou komen te staan. Ik schreef onregelmatig over de nieuwe wereldmuziek cd’s die ik op de radio liet horen bij twee radiostations. En soms schreef ik over muzikale voorvallen die ik meemaakte, zoals ik nu ook mijn herinneringen ‘neerpen’ als ik ze terug vind in mijn geheugen.

Toen ik even bleef hangen bij Paul Witteman’s klassieke TV-programma vanwege een optreden van de Tuva groep Huun Huur Tu, dacht ik terug aan één van mijn eigen radioprogramma’s, met een wonderlijke ontmoeting. De situatie: een mooie zomerse maandag, fietsend door het Vondelpark, waar het altijd druk en levendig is én waar altijd wel wat te doen is. Op weg naar een van mijn favoriete CD winkels op de Rozengracht was het weer raak.
Ik hoorde livemuziek komend vanuit de Vondelbunker, wat heel vroeger een culturele plek was voor de underground scene. Een dwingende ’bijen’-zoemtoon, ritmisch gedreven en iets van getokkel. Ik trapte even flink door, op het geluid af.
Onder de brug was een oploopje ontstaan van ‘luistervolk’ rondom vier folkloristisch uitgedoste heren, die wonderlijke muzikanten waren met uitheemse instrumenten. Ieder speelde op een soort vedel of tokkel-luit. Eén van hun zong met een heldere stem, die soms door een ander werd onderbroken, of ondersteund door een zanger die ‘boventonen’ produceerde, of een andere zanger die al grommend en grauwend zich duidelijk aanwezig betoonde.
Een boeiend samenspel. Hier werd wereldmuziek geproduceerd. Deze term wordt dikwijls betwist, maar ik hoorde toch duidelijk muziek uit een andere wereld. Zo weet ik inmiddels door een reeks optredens in Japan dat men daar onze muziek als wereldmuziek ervaart. Het werkte bezwerend, die muziek die ik hoorde. Na een paar songs stond een 5e jonge gast op en liep langs de luisteraars en riep in een soort gebroken Engels over een cd die hij te koop had van de groep voor 12,00 gulden (!). En soms pakte hij een soort Sjamanentrommel met belletjes, waarmee hij de banjo-achtige tokkel ondersteunde. Ineens bedacht ik me dat deze wereldmuziek natuurlijk uitstekend paste in mijn wereldmuziek programma ‘Avondland’ bij (destijds) Radio Amstelveen, maar dat was iets voor dié avond wist ik, want de groep was een week later niet meer te traceren. Tussen twee nummers door zocht ik de aandacht van één van de vedelaars, maar deze keek mij wat verweesd aan. Ik wees tenslotte op mijzelf en riep “Radio”. Hij keek rond en wees toen naar de trommeljongen.

Hello I am a DJ of a radio station and I like your music and I will invite you to come to our radioprogram tonight“

Hij begreep mijn slechte Engels en in zijn gebroken Engels pakte hij zijn zwaar versleten mobieltje en zei begrijpend: “I will phone”, drukte op wat toetsten en gaf mij dat ding. Aan de andere kant van de lijn een enthousiaste Amsterdamse stem van een jonge vrouw, die begreep dat ik aandacht wilde besteden aan de groep via de radio. Ik gaf haar het adres van de studio en de tijd van het optreden plus interview. Zij verzekerde mij dat de groep uit het Siberische Tuva met de groepsnaam Altai-Hangai, op tijd bij mijn radioprogramma zou zijn.

’s Avonds had ik wat Russische en Balkan volksmuziek cd’s bij me, en een lijstje met vragen om de cultuur achter de muziek wat duidelijker te krijgen. Steppenmuziek van rond de Mongoolse Altai bergen van West en Centraal Mongolië vond ik thuis in een boekje over wereldmuziek (vér voor mijn  internet tijdperk). De cultuur van rondtrekkende herders met kamelen, schapen en vooral paarden. Rondtrekkend met hun yurt, waar de hele familie in woont, met hun zomerse traditie van worstelfestivals, paardenraces en roofvogeljachtpartijen. Ik had wat huiswerk gedaan.
Het eerste radio-uur was klaar en tijdens het nieuws waren de heren binnen gekomen en zaten gezellig aan de koffie en thee in de vergaderruimte. Maar ik miste de ‘spreekbuis’ van de groep. Tot nu toe was gebarentaal voldoende, maar daarmee kon ik mijn vragen niet ingevuld krijgen. Maar de mannen keken tevreden. “Komt goed” beduidde een van hun met een brede glimlach.
Het tweede uur begon en ik nam ze mee naar de kleine interviewruimte waar ik vijf stoelen had neergezet. Eén stoel bleef leeg. Ik gaf mijn technicus een teken om ‘de Ether in te gaan’ en de micro’s open te zetten, gaf een teken naar de muzikanten en hun wonderlijke geluid kreeg ook het bredere thuispubliek te horen. Maar ik bleef angstvallig naar de lokaaldeur staren, hulpeloos met een papieren blaadje vol vragen. Na het nummer lepelde ik maar wat van mijn huiswerk op en liet de groep glimlachende muzikanten maar weer een tweede stuk inzetten met mijn stuntelige gebarentaal. Dat werd nog een héle en onvolledige kluif, waarvan de afloop van dit concertje nog zeer onduidelijk was. Mijn ‘tussentekst’ raakte op. Na het vierde nummer verscheen de student eindelijk in de deuropening en op mijn wenken beende hij gelijk naar mijn studioruimte.
Achter glas bij mijn technicus was het inmiddels behoorlijk druk geworden met collega’s en andere luisteraars die nieuwsgierig naar de studio waren gekomen door het bijzondere geluid dat ze uit hun radio hadden gehoord De oploop was compleet. Altai-Hangai kreeg ook hier de aandacht die het verdiende en ik kon eindelijk mijn vragen beantwoord krijgen. Aan het eind van de uitzending kreeg ik, als dank, een gesigneerd exemplaar van hun cd Gone with the wind uit het jaar 1996.

Anno nu wordt ook die wereld in rap tempo ontsloten. De hordes wilde paardjesruiters worden nu door hordes gedresseerde toeristen gefilmd en met mobieltjes gesnapshot op een dure avonturenreis achter de Oeral om terug in eigen land een cursus ‘Khoomei’ boventoonzangtechniek of het strotzingen op een gezonde manier na te doen.
Er leven daar meerdere volken die nog wat minder bekend zijn dan Huun Huur Tu, Altai Kharkan en Altai Hangai. De etnische ‘Boeriaten’ gemeenschappen van de Zuid-Siberische steppen, het kruispunt van Rusland, Mongolië en China en aan de oostelijke en zuidelijke oevers van het Bakalmeer. Hun taal en traditie is aan het uitsterven en hun taal staat op de werelderfgoedlijst van bedreigde talen. Maar ook daar zijn muzikanten bezig met het eigen culturele erfgoed.

Namgar Ayushievna Lhasaranova zingt nog in de eigen taal bij haar groep Namgar. In mijn regelmatige strooptocht naar interessante muziek kwam ik hun 2021 cd tegen bij mijn oude vertrouwde Bieb. Hun album Nayan navaa (land van onze voorouders) staat in twee tradities: enerzijds het vertrouwde geluid met de 13-snarige ‘yatog’-citer, de 3-snarige ‘chanza’-luit en de ‘khomus’- mondharp maar ook regelmatig ondersteund of overstemd door drumstel, rockgitaar en ambient soundscapes. Die herkenbare traditie wordt gecombineerd met triphop, trance en stevige rock, wat een boeiende combinatie oplevert. Het mooie lied Zandan khuren wordt omlijst door het stevige Ona platform, the size of a yurt en een stevig ritje op The course of my horse. Namgar (witte wolk) zingt ook in koor in het ook stevige Yaboo-aidoo. De titeltrack is dan weer mooi melodieus.
Door veel technisch vernuft sluipt er ook veel mystiek in hun muziek vol Tuvaanse sjamanisme. Ook hier komt het boventoon zingen nog even voorbij, maar Namgar klinkt veel afwisselender en toegankelijker dan de eerder genoemde Tuvanen die ik ken. Het kindstemmetje van zangeres Namkar geeft ook heel heel eigen karakter aan het geheel. Opener When I walk on the mountains geeft al gelijk een mooie fusie van Oosterse melodieën, ondersteund door zachte strotzang, met later de Westerse hardrock erdoorheen. Green grass heeft iets weg van de Amerikaanse natives die een andere versie van Wounded Knee proberen. Southern mountain zit weer vol ambient mystiek. Sandlewood saddle lijkt wat meer beïnvloed door een Tuvaanse paardenrit, maar eindigt toch weer met een stevige rock riff. Het korte Parting words song is het meest traditionele a-capella stukje, gezongen door man en vrouw samen, alsof dit van een 78-toeren bakelietplaat komt.

Nee, nergens verveelt het album. Ruim 53 minuten vol avontuur.

 

Namgar – Nayan navaa (ARC music 2021)