Wieringa Wikt en Weegt – Draailier voorbeeld

Na mijn avontuur als organisator van een muzikantenworkshop was ik blij dat we ruim een jaar een hoop plezier hadden: docenten, muzikanten-in-de-dop en tenslotte ikzelf. Eén keer per maand met zo’n 25 of 30 volksdansliefhebbers die daarnaast ook nog eens een instrument bespeelden. Maar, toen al, was iedereen ‘druk, druk, druk’.

Dus voor we – Monique, Frank en ik – de spreekwoordelijke deur zouden moeten sluiten, stopten we in stilte na de nog redelijke opkomst bij de laatste muzieklessen. Ik had nog steeds het gevoel dat danshuis Terpsichoré meer kon zijn dan een platform voor volksdansers waar je werelddansen van de Balkan, Israël, Nederland en meer kon leren en waar je je vrienden kon ontmoeten bij de danslessen en op een soos. Via een kennis kreeg ik contact met een zanger/gitarist met eigen liedjes. Hij vroeg of hij een keer in onze barruimte mocht zingen. Hij zocht een ‘podium’ en dat bracht mij op het idee dat er misschien wel meer muzikanten zo’n podium zochten. De grote podia als Paradiso, Melkweg of de Kleine Komedie en dergelijke plekken is voor veel fantastische muzikanten niet direct haalbaar als je wél klaar bent tussen de – weer spreekwoordelijke – schuifdeuren en verder wil leren en groeien in vreemde schijnwerpers en voor vreemde luisteraars.

Kleine podia waren er toen nog niet, begin jaren ’80. Als bestuurslid had ik in de weekenden het recht om eventueel ‘dingen’ te organiseren en de barruimte was net groot genoeg voor zo’n 50 zittende bezoekers voor kleine concertjes. Na het eerste concertje met 20 mensen in een Balkan orkest die allemaal vrienden en kennissen meebrachten (waar had ik dat eerder gedaan?) was het folkcafé in het Amsterdamse Bavohuis geboren. Ik had wel besloten om het podium alleen voor de folk en de volksmuziek te laten bestaan. Voor pop, jazz, klassiek of blues waren er vast wel andere plekken, meende ik. Met vallen en weer opstaan en met behulp van enkele vrijwilligers uit die volksdansbeweging was de activiteit langzaam groeiende. Iemand achter de bar, een vaste hulp voor de organisatie en een ander achter de kassa. Voor vijf gulden hadden ook de ‘krappe beurzen’ een hele middag luisterplezier en kwamen dan achter hun geraniums vandaan.
Mensen laten genieten vind ik leuk.  Ikzelf had die éne zondag in de maand uit eigen beurs wat kaas en worst aangeschaft voor op enkele tafels tijdens ‘het pauzemoment’, zodat de kans groter was dat je per ongeluk met iemand in gesprek raakte tijdens het nemen wan zo’n stukje genot bij het wijntje of biertje. En zo ontstonden er nieuwe ontmoetingen na verloop van tijd, vaste bezoekers en zélfs vriendschappelijke afspraken buiten het folkcafé om. De orkestjes en muziekgroepen waren talrijk en de aanvragen voor een podiumplek kwamen ook van buiten Amsterdam (‘hoort zegt het voort’ is ook weer zo’n spreekwoord). Als het publiek tevreden was en het orkest tevreden met onze ruimte en sfeer, dan pas was ik ook tevreden. En de kwaliteit van de orkesten steeg ook naarmate de winterseizoenen elkaar opvolgden.

Een memorabel moment was die mooie warme zonnige voorjaarsdag aan het eind van een seizoen. Ik zag het somber in voor een binnen activiteit als het folkcafé. Toen ik mijn motor neerzette bij de ingang van het gebouw stond het klezmerorkest buiten nog wat te kletsen in de zon. “Hebben jullie nog stoelen in het gebouw want we hebben staanplaatsen” werd mij gevraagd. Een goede grap met dit helaas veel te mooie weer voor mijn activiteit en ik zal wel iets snedigs terug hebben gezegd zoals: “Helaas heb ik het weer ook niet in de hand”. Maar eenmaal binnen was de barruimte drie keer zo vol dan er eigenlijk aan mensen in kon. De brandweer zou het hebben verboden als die dat had geconstateerd. Ot Azoj had zo’n 140 mensen op de been gekregen! Het eerste dieptepunt was toen mijn medeorganisator aankondigde er mee te gaan stoppen, omdat hij ergens anders ging wonen. En alleen doe je niets. Enkele vaste bezoekers hadden ook iets gezamenlijks: ze vormden de Stichting Mokum Folk.
Op een zomerdag op de kop van de Zeedijk hoorde ik levende volksmuzikale klanken en ik hoor altijd direct of het livemuziek is. In een café aan een lange bar zaten muzikanten te spelen en daartussen de vaste bezoekers van mijn activiteit. Ik vertelde mijn dramatische besluit om te stoppen, maar zij liepen ook met de gedachte van zo’n activiteit als het mijne dus mijn activiteit werd hun activiteit en om ‘mijn kind’ te begeleiden stapte ik ook maar in hun bestuur. Danshuis Terpsichoré had er gelijk weer een bestuursorgaan bij met een groeiend aantal bezoekers per seizoen die niet per se kwamen dansen, maar wel kwamen luisteren (ook volksdansers die de dansmuziek ook leuk vonden om naar te luisteren). Het tweede dieptepunt was de verkoop van het Bavohuis dat van de gemeente in particuliere handen kwam. Wég vaste plek in het weekeinde. Het folkcafé werd een (jawel, spreekwoordelijk) ‘reizend circus’ met om de drie of vier jaar een nieuwe plek in Amsterdam en Amstelveen. Maar wel met vaste bezoekers die met ons meereisden en een folkpodium waarvan het niveau steeds hoger lag. Vorig jaar oktober vierde Stichting Mokum Folk het 40-jarig bestaan, met daarbij het ruim 25-jarige folkcafé. Het vroege ‘kind’ uit de jaren ’80 bleek in 2019 nog steeds ‘alive and kicking’.

En er komt in deze tijd nog steeds boeiende folk en folkachtige muziek tot ons. Op de grens met de indie-stijl opereert Christof van der Ven. Zijn bekendheid was toch vrij onverwacht. Christof komt uit Brabant en als muzikant maakte hij zijn ‘vlieguren’ in Ierland. Wat later verhuisde hij naar Londen en ging werken als chef-kok in een restaurant, maar bleef wel de muzikant die werd ontdekt en daarna toetrad tot de tamelijke bekende indie-groep Bears Den, waarmee hij het voorprogramma deed bij Bon Iver, Lisa Hannigan en Joan as a Policewoman. Festivals als Glastonbury, Lowlands en Rockwerchter zijn hem niet vreemd. Op zijn solo-album You were the place van vorig jaar klinkt hij met een ‘Blue Nile’ stem in een vrij ingetogen ‘folky’ sound, en zingt over de emoties die opborrelen bij liefdesverdriet. Het tapijtje onder zijn gitaarspel zal niet iedere folkliefhebber aanspreken, maar het warme open geluid met hier en daar wat ingewikkelde ritmen en soms nadrukkelijke piano-aanwezigheid doet mij wél wat. Meer moeite heb ik vaak als je het schuiven over de snaren zo duidelijk hoort en dat is hier ook mijn enige kritiekpuntje. Is het nog folk? Dat weet ik niet, maar mooi vind ik het wel zo op de late ochtenduren als de rust gezocht wordt binnen de hectiek van de reeds gevorderde nieuwe dag, waar de mist langzaam optrekt. Luisteren dus.