Wieringa Wikt en Weegt: echt of bijna echt

Nee, in de Algarve kom je van nature niet veel fado tegen. De melancholische fatum van verloren geluk en mislukte, maar bijna bereikbare momenten die tóch gekoesterd worden en bezongen in fadohuizen van het noorden. De Algarve is zonnig en té onbekommerd, tenminste zoals ik het vele wintermaanden heb meegemaakt.


Ooit heb ik een fado avond meegemaakt. ’s Middags slenterde ik met familie en vriendin door Lissabon, niet ver van de wijk Alfama, omhoog richting een kerk waar de oude straat omheen kronkelde. Links aan een heel kleine stoep kwamen we langs een klein barretje waar in de avond fado concertjes werden gegeven; een lantaarn verried de anonieme tweede rol van deze gelegenheid. De tamelijk versleten deur was dicht. We belden aan met de vraag of er die avond ook gezongen werd en zo ja, hoe laat. Een wat norse, narrige ’ja’ en een nogal hoge budgetgevoelige entreeprijs kregen we als toerist voor onze kiezen. De uit armoede geboren traditie met diverse rituelen is een goudmijn sinds het toerisme er belangstelling voor kreeg. Maar zo’n avond wilden we toch een keertje meegemaakt hebben voor een volledigere ‘Portugalervaring’.

We kregen een tafel aangewezen bijna achter een paal in een goedgevuld zaaltje. Automatisch werden de tapasschaaltjes op onze tafel gekwakt, maar we wisten dat alleen maar er naar wijzen al zo goed als invloed had op de toch al prijzige avond. We waren niet armlastig, maar herkenden wél het ‘oor aannaaien’ en ‘drie keer over de kop’ gedrag van de toch wel vriendelijke Portugees ten opzichte van de stomme toerist.

Aan het wiebelige tafeltje op de ongelijke vloer en op de krakkemikkige stoeltjes dronken we een rode port als vast ritueel bij de muziek. Het licht werd tot schemerachtig gedoofd, het geroezemoes verstomde langzaam. Een felle lamp op een schouw gericht werd aangeknipt en viel op twee mannen in pak met gitaar en fadogitaar. De gitaar, in het Portugal viola, zette een pittig wandeltempo in en wat maten later klaterde het mandolinegeluid van de Guitarra Portuguesa er overheen en over de tafeltjes van de luisteraars. Met een niet navolgbare melodieënwaterval eindigde het in een onverwacht niets.
Een tweede melodieënreeks luidde de introductie in van een waggelende, dikke moeke die tussen de zittende muzikanten plaatsnam en haar typisch gezwollen fadostem de zaal in slingerde. Gestoken in oude binnenhuiskledij en op sloffen sloeg ze de gehaakte zwarte stola nog eens om haar schouders bij het tweede lied vol melancholische klanken, die hoorden bij het aanwezige ‘saudade’ gevoel.


Waar ze over zong zouden we niet weten, maar we wisten wél dat het een verschrikkelijk gemis moest zijn. Een gemis van een van de vele dingen waar een Portugees last van kan hebben; meer nog dan de argeloze toerist ooit aan zou denken. Na het vierde huppelende liedje, als was de dood een peulenschilletje, ging de lamp uit, werd het zaallicht weer feller en werden we aan ons eigen lot overgelaten.

Was dit het dan? Had ons gevoel zich nét behaaglijk ingesteld op de diepe smart van een ander die over ons uitgestrooid werd, was het moment van heel mooi klagen alweer voorbij. We keken elkaar wat teleurgesteld aan. Ja, ze zong heel mooi met echt gevoel en bracht ons wel in die typisch Portugese fadosfeer, maar een ruim kwartier vond ik toch wat kort om in het leven te rouwen over wat dan ook. In andere culturen werden huilers ingehuurd, soms met echte tranen, die langer volhielden, alleen niet zo mooi als onze madam.

Dan nog maar een portje om het fadogevoel in ons voort te laten sluimeren. Ik wist dat de lantaarn weer aan was gegaan ten teken dat er eventueel weer open werd gedaan na een muzikaal onthaal.

Na een dik half uur ging het zaallicht weer op sluimeren. De twee muzikanten zetten weer een instrumental in en bij het tweede intro strompelde een lange, dunne, verfomfaaide man op krukken naar het licht. De krukken leken zijn ongeluk te benadrukken, maar tussen de muzikanten in zette hij de krukken tegen de schouw en stond daar stevig op zijn twee benen, alsof hij nog nooit zijn hulpstukken van dichtbij had gezien. Zijn te wijde colbert hing en z’n waarschijnlijk vale broek fladderde wat om zijn benen om z’n armoede te benadrukken, vermoed ik zomaar.
Maar zijn krachtige heldere stem liet ons snel zijn uitstraling vergeten. De mooie langzame uithalen over het twinkelende mandolineachtige geluid. Met een wat overslaand, nasaal stemgeluid nam hij ons mee in zijn misére. De saudade nam ook nu weer een beetje bezit van ons, maar ook bij deze man was zijn trieste leven in vier nummertjes verteld, waarbij het laatste verdriet zo vrolijk aan ons werd meegedeeld en over ons werd uitgestrooid, dat het zaaltje makkelijk werd overgehaald mee te klappen met de refreintjes. De man greep naar z’n stokken en waggelde weer naar het donker.
De twee muzikanten deden nog een instrumentaal ‘nazitje’ en  daarna moesten we onszelf maar weer vermaken.
Een derde glaasje werd besteld en genuttigd met veel mee-levendigheid over al die mooie nostalgische treurigheid. Op het moment dat we weer een setje hadden verwacht, kwam een dikke man met een dikke beurs op zijn dito buik de zaal in met een blik van ‘zo is het wel weer genoeg geweest, maar wij hebben nog een afspraak’. We keken elkaar aan voor een vierde glaasje, maar nee, het was wel mooi geweest. Dit was het dus. Wél erg mooi allemaal, maarrr…
De avond was wel omgegaan en de verleidelijke tapas hadden we weten te negeren. De nacht lonkte ons voor een ommetje voor het slapen gaan.

Dat was in 1991. Niet zo lang geleden gaf Mariza ons opnieuw een mooie fado cd: Mariza canta Amalia, de fado van fadokoningin Amalia Rodrigues. Nou ja, twee liedjes die toegeschreven zijn aan ‘the late great’, met haar niet te evenaren intensiteit, behalve door een Piaf of Billy Holiday. Maar misschien zong Amalia ook die andere liedjes van Mariza op háár repertoire.

Ten opzichte van het volkse, pure karakter wat wij destijds op die fadoavond hoorden is de fado van Mariza heel erg mooi ingevuld en eigenlijk té mooi voor het oorspronkelijke saudade gevoel. Waar de authentieke fado in oorsprong niet meer begeleiding had dan gitaar, fadogitaar en misschien een contrabas, wordt Mariza begeleid met door piano, drum, piccolo’s, altfluiten, cello, bas, fadogitaar en het Orquestra Cordas.
En ja, Mariza zingt nog steeds de sterren van de fadohemel met hele mooie melodieën. De sprankelende fadogitaar is hier veel donkerder en wordt wat ondergesneeuwd door alle andere instrumenten vol gestileerdheid en pracht. Misschien is deze cd van Mariza wel te mooi of moet ik wennen aan zoveel meer. En ondanks die vele instrumenten is de sound nergens bombastisch. Mariza zingt met haar herkenbare timbre de fado in mooie arrangementen, geschikt voor een groot publiek.
Een aantal zoals Barco Negra, Cravos de Papel en Lágrima ken ik wel van minder weelderige arrangementen. Estranha forma de vida wordt met heerlijke fado uithalen gebracht. Maar ik merk dat de vioolbak, die op de achtergrond het hele album op salonniveau tilt, mij wat irriteert en iets te glad mijn oren in glijdt.
De fado heeft veel verschillende gezichten weet ik van mijn fadoverzamelingen. De stem van Mariza kan ik ook echt waarderen, maar dan in een minder zachte en weelderige setting. Fodeus is ook weer fraai gebracht. Het repertoire op dit album is prima, maar ik mis de ‘folk’ van de fado, die ik met minder mooie stemmen in dat zaaltje in Lissabon hoorde in 1991, waar nog wel eens een noot bijna goed was, maar het volkse karakter daardoor wél werd benadrukt.

Mariza – Mariza canta Amalia (2020)