Wieringa Wikt en Weegt: Hongaarse herinnering

In coronatijd is het heel erg rustig in huis, maar is er daardoor weer veel ruimte voor herinneringen bij het draaien van mijn laatst aangeschafte cd’s. Met het draaien van déze cd’s komen er ook weer herinneringen aan Hongarije naar boven en daar heb ik nogal wat mee gehad in mijn actieve leven.


Dat begon bij Folkclub De Draailier, waar één van onze bestuursleden veel contact had met Hongaarse folkgroepen en ik daar voor het eerst de groep Muszikás zag. Zij hadden nét hun elpee Kettö uit en deden een Europese tour; dus ook een optreden bij ons in Diemen. Een mooie ervaring met Hongaarse folkmuziek.

Later deed ik een (volks)dansreis met uitstapjes in de omgeving van Budapest. Weer later zat ik als demonstratie-danser bij dansgroep Paloina, en traden we op in het beroemde operagebouw van Budapest. We waren een amateur dansgezelschap, dat was gevraagd en vervolgens uitgezonden voor Nederland naar een Gala Eurovisie uitzending, opgenomen in een kleine week en ooit door onze TROS aangekocht en uitgezonden. Het leverde weer bijzondere anekdoten op.

We kregen per deelnemer een ticket om te vliegen met de Malev maatschappij en een leuke gage per deelnemer. Wel in Forinten en pas op de laatste middag uitbetaald. Buiten Hongarije was dit geld helemaal niks waard, dus ik moest als een razende die middag mij in een dolle rit per taxi laten vervoeren naar diverse muziekwinkels, waar ik een kilo elpees kocht met Hongaarse folkloremuziek en de rest van de overgebleven gage maar op straat uitdeelde aan de bedelaars die ik tegenkwam. De hoofdact van onze gala-avond was Gilbert Bécaud, maar die gedroeg zich erg arrogant, eiste een eigen vleugel in het gebouw, zong maar één nummer – zijn hit Nathalie – en stuurde een stemband voor als zijn stem niet goed genoeg was. Dat was in 1985. We sliepen in een duur hotel, type Amstelhotel met knipmeslakeien, die onze kostuumkoffers sjouwden van hotel naar operagebouw. De wondere wereld van het grote geld als amateurs. Ook bijzonder was het bekijken van het grote Hongaarse State Folk Ensemble vanuit de coulissen, voordat we zélf op moesten op dat megapodium.

Later deed ik nog wat motorvakanties met mijn vriendin, waarbij we diverse folklorekostuums tegenkwamen in het wild. Weer later als bassist bij een dansgroep, optredens in Debrecen als afgevaardigden van de gemeente Haarlemmermeer die de zusterstad een (afgedankte) brandweerauto schonk. Wij waren ’versiering’ en traden overal in kleine theatertjes op.
Nog weer later kwam ik in Nederland met Hongaarse muziek in aanraking via De Speelman. Crispijn Oomes haalde regelmatig Hongaarse folkgroepen naar Nederland en ik was dan steevast zijn ‘hulp’ in Amsterdam: als host voor de groep, kaartjesverkoper en presentator voorafgaand aan het concert. En daar was ook een wilde folkorkest van jonge honden, met in hun midden ‘de snelst spelende cimbalist van Hongarije’. De groep kwam vaker naar Nederland en het was altijd leuk om ze weer bezig te zien. Dus ik was blij verrast toen ik vorig jaar een nieuwe cd van hen vond in een van de weinige cd-winkels in onze stad anno nu.

Cimbaliband werd waarschijnlijk opgericht in 2006 door de cimbalist/zanger Balázs Unger. Ze waren al een tijdje onderweg als groep, toen ik ze ‘achter het podium’ ontmoette als ‘handige Harrie’ voor De Speelman, en hadden al een aantal albums op hun naam staan. Destijds was hun frontzangeres Eszter Szita, met een typische stijl van zingen. Ze deed ook nog een Hongaars dansje deed met één van de begeleidende podiumbeesten. Ten opzichte van de nog steeds toerende Muszikás, Sebö en de andere, meer traditionelere groepen, was er meer ‘jazz’ op hun podium met een heftig spelende cimbalist, die zich bij elk volgend stuk sneller profileerde. Thuis wordt hij ook wel de ‘Chuck Berry’ van het cymbalomspelers genoemd.
Vier jaar geleden was er een korte stop, maar nu zijn ze al weer even op stap met zangeres Dora Danics met een behoorlijk strakke zangstem, wat lager dan gewend, maar zeer lenig en vol soul. De huidige zes begeleiders hebben een soort ‘popfolk’-sound ontwikkeld op de in 2019 verschenen cd Iram. De melodieën zijn wél traditioneel, maar hun spel is stevig en ruig en toch weer pittiger dan hun oudere werk. Dit zal hun tiende, elfde of twaalfde album zijn, want de groep is zeer productief. Dus misschien is Iram niet eens het meest recente album van Cimbaliband és Danics Dora.
Ja, alles zit perfect in elkaar, maar ik moet nog even wennen aan het opvallend ‘loshangende drumstel’, dat buiten het totaalgeluid van de groep lijkt te staan. Iram is toch een lekker album van vijf topmuzikanten achter een goed ogende zangeres, en het is nog steeds Hongaarse folklore.

Van een geheel ander geluidsniveau is de spannende folkrock van Meszecsinka. In eigen land is deze Hongaarse groep een topformatie in het alternatieve circuit. Meszecsinka betekent ‘little moon’, maar hun geluid is af en toe behoorlijk groot. Vaag doet het geluid mij denken aan het Zweedse Hedningarna ten tijde van hun album Tra, maar toch is het geluid van dit kwartet moderner en ook internationaler.
De vier leden plus gastvioliste komen uit Hongarije, Bulgarije, Polen en Kroatië. De Charismatische zangeres/pianiste Annamaria Olah zingt in maar liefst zeven talen, maar houdt het op dit tweede album Allj Bele A Melybe, oftewel “stand into the deep” bij het Hongaars. De Sound van deze  groep doet mij ook na meerdere draaibeurten steeds sterker denken aan Ummagumma, de psychedelische plaat van Syd Barrett’s Pink Floyd. Op hun stevigere nummers worden soundscapeflarden verweven tot een behoorlijk opgetrokken geluidsmuur. Ook herken ik af en toe het sjamanisme van de Inuit of dat van de Tuvanen. Nee, deze muziek is niet geschikt voor folkloristische puristen. Het ruim zeven minuten durende stuk I don’t let it (de Hongaarse titels doen we maar even niet) en het bijna zeven minuten durende Alone hebben wat weg van die vroege Pink Floyd, maar misschien is dat in deze retrotijd juist wel weer aardig. Niet persoonlijk meegemaakt, maar wat LSD erbij en de wereld wordt met deze muziek opnieuw opgericht. Opzwepender dan dit heb ik van de Puszta nog niet vernomen. Toch, in de wat kortere tracks hoor je ook verstilling en de wat melancholische Hongaarse melodieën en zangstijl, zoals bij Not anymore en Floating. De laatste twee stukken brengen wat rust en balans in het geheel, waarbij de mysterieuze zang je in het laatste Voices from the deep helemaal tot rust brengt.
Een op z’n tijd stevig, maar ook mooi evenwichtig album, dat wel enkele draaibeurten nodig heeft om te landen.

 

Cimbaliband és Danics Dóra – Iram (Fono 2019)

Meszecsinka – Allj Bele A Meleybe (NarRator Records 2019)