Wieringa Wikt en Weegt – Jazzy folk van Fisbanda

….”Maar jij kent zoveel dansen. Hoeveel dansen kén je?”.
Ik kon dat destijds niet bij benadering zeggen, maar op de soos deed ik destijds de meeste volksdansen wel mee. Ook nu was het weer een leuke soos en iedereen die ik kende was er weer. Na de zoveelste dans sprak ze mij aan. Ik kende haar wel, maar had haar nog nooit in een gesprek ontmoet. Een wat oudere vrouw, donker haar dat waarschijnlijk geverfd was en iemand die zich zorgvuldig kleedde.
…”en het is dicht bij waar je woont; in Amstelveen”.
Ze had zich goed laten informeren binnen mijn kennissenkring, voordat ze mij deze vraag stelde.

.. “Ik heb zoiets nog nooit gedaan; ik weet niet of ik het kan” verdedigde ik mij zwak. “Het gaat om een beginnersgroep die elke pas nog moet leren, dus je hoeft alleen maar met makkelijke dansjes aan de slag” deed ze weer een poging. “Ik moet groepen afstoten vanwege mijn hart” was ook haar duidelijke verweer en met tegenzin uitgesproken. Ik was wél nieuwsgierig naar het idee om dansleraar te zijn. Iemand vraagt mij les te geven in de danskunst terwijl ik didactisch totaal niet onderlegd was in die tak van sport. Er waren dansleiderscursussen. Mijn toenmalige vriendin Yolande was daar toevallig mee bezig en had mij gevraagd om haar met een opdracht te helpen. Zélf had ik mij nooit gezien als dansleider of dansdocent; er viel nog zóveel te leren…

Het was nét zo’n zaaltje als waar ik jaren geleden zélf had gestunteld bij 20 of 25 leerlingetjes die toen al een gevorderdengroep hadden gevormd. En nu: 20 of 25 leerlingen die de eerste passen moesten leren op die fijne muziekjes. Een Joegoslavische kolo, een Roemeense hora, een Hollandse hakketoone en alles uit een nu ouderwetse bandrecorder met een speaker, die ook als deksel fungeerde. Voor de Griekse kalamatianos dans gebruikte ik destijds lekker modern Ruby love van Cat Stevens. Had ik thuis ontdekt en ik had thuis ook ontdekt dat je de All American promenade kon dansen op Little Maggie van de CCC Inc. – nog steeds populair in mijn cd lade.


Na de eerste week bleef een derde van de cursisten weg. Iedere docent brengt zijn of haar eigen ‘sfeer’ mee en mijn voorgangster werd duidelijk gemist. Aan het eind van dat seizoen had ik weer tweederde aan nieuwe leerlingen erbij, want het verenigingsleven was toen nog zeer aantrekkelijk en dansen doen we nog steeds graag, alleen niet meer zoveel met volksdansen. Het was hard werken met overdag een baan en al die andere activiteiten in de avonduren. Veel thuis ‘vóór-oefenen ‘ hoe ik een dans moest uitleggen; pas voor pas. Sommige danspassen moesten ze maar afkijken van langzaam naar snel omdat ik dat niet goed kon uitleggen met woorden. Een andere methode wist ik niet bij gebrek aan didactiek.

Mijn toenmalige vriendin Yolande deed wél een dansleiderscursus en moest voor haar examen een Nederlandse volksdans ‘maken’ én uitleggen aan haar medecursisten. Zo werd onze Nederlandse traditie en cultuur ‘uitgevonden’. Niks van vader op zoon en van moeder op dochter. Geen eeuwen oud groeiend besef van ons ‘karakter’ in de dans ; ons ‘cultureel erfgoed’. Hier werd serieus nieuwe folklore gemaakt. Vriendin Yolande had de lp van Wolverlei met daarop het nummer Tiedeliepats ontdekt als dans. Echt tijdloos mooie muziek. De tekst verwees naar een componist W.F. Siep die dit werk in 1925 had gecomponeerd en uitgegeven en er idyllisch ‘dans voor bruid en bruidegom’ en ‘Zeeuwse boerenzang’ als bijsluiter had bijgeleverd.

 

Maar geen dansbeschrijving, dus dat gaf Yolande de vrijheid om er zélf iets mee te doen. Maar na enkele aanzetten tot een soort van dans wilde het toch niet vlotten. Ik zat met mijn ‘lesgeverij’ toch al in een soort van ‘danspassen modus’ en toen ik serieus met deze heerlijke uitvoering van Wolverlei’s Tiedeliepats aan de gang ging, rolde er spontaan een dans uit. Ik leerde haar deze dans aan en zij was zeer tevreden met de invulling van haar opdracht. Nu was het zaak van leugentje om bestwil, want ík had de dans gemaakt en zij had de dans moeten maken.
Op haar examen dag was ik haar proefpersoon en kon zij mooi uitleggen wat ik haar had geleerd. Met wat toneelspel leek alles uit haar brein te zijn ontsproten en kon ze deze dans ook goed uitleggen aan haar medestudenten. Iemand die ook meegekomen was vroeg aan mij of hij iets ‘mocht doen’ met deze dans. Had hij het door? Met een stalen gezicht in de plooi zei ik hem: “dat moet je aan Yolande vragen, want het is haar dans”. Later begreep ik dat Tiedeliepats op een NEVO instructie lp terecht was gekomen en dat het halve Nederlandse volksdanswereldje die dans destijds heeft geleerd. Heimelijk was ik een beetje trots en zeker dankbaar dat de muziek groep Wolverlei zulke fantastische (en nog steeds als tijdloos ervaren) muziek heeft gemaakt.
Later was ik ad hoc bassist bij een demo dansgroep en kreeg een telefoontje van de leidster. “We gaan naar Tsjechië en je moet een nieuwe dans leren bassen; Tiedeliepats, ken je die?”

Dit is de wereld van vroeger toen deze folkloredansvorm nog door heel veel mensen werd beoefend. Nog van vóór de mobieltjes, de Ipod en waarschijnlijk vóór het massale gebruik van de PC die ook alweer… Toen hadden we tijd en energie om elkaar nog regelmatig lijfelijk te ontmoeten. En nu met deze corona tijd willen we wel weer, maar dan heeeel voorzichtig en op afstand.

De Balkan dansen leren en aanleren; die tijd ligt alweer ver achter mij maar de muziek beleving, verder dan uitsluitend ons grondgebied, wordt bij mij nog regelmatig gevoed met nieuwe cd’s. Dit jaar 2020 verscheen er mooi werk van de Poolse folkgroep Fisbanda, een groep die een jazzy vorm van traditionele folk brengt. De zes leden spelen accordeon, contrabas, viool, contra viool, drums en trompet. Ze komen van het toeristendorp Zakopane in het Tatragebergte, een eldorado voor bergwandelaars. Ook beoefenen alle leden de jubelende Poolse zangstijl die een heel eigen idioom heeft. Deze muziekstijl is hier niet gauw te vinden en zéker niet de sound van Fisbanda.

 

Het doet vaag iets denken aan sommige Hongaarse bands. Het tweede stuk Uz turek ide zou niet misstaan in de Hongaarse danshuizen. Ook de titeltrack Posluchejcie kameradzi lijkt ons in Hongaarse sferen te dompelen, maar na enkele maten komen we muzikaal toch in de Karpaten terecht. En de nummers worden behoorlijk pittig gebracht met regelmatig stevige drumpartijen op de achtergrond. Ook Vremuri Bune zou zo uit het Roemeense/Hongaarse Transsylvanië kunnen komen. Halverwege komt er een bekende zigeunermelodie voorbij. Opnametechnisch klinkt alles warm en vol, inclusief de mooie volkse samenzang.
De informatie op het album geeft alleen maar een stukje verhaal in het Pools en nét als op het soort van website is daar geen kaas van te maken. Het is gewoon een té lastige taal. Daar hadden we vroeger op ons koor ook al erg veel last van. Nergens wordt gesproken over een cymbaal, maar toch is deze nadrukkelijk hoorbaar aanwezig. Pas op het zesde stuk komt er iets van ‘gypsy folk jazz’ op gang bij de viool. De typische ritmische zangstijl tegen de toch duidelijk Hongaars-achtige begeleiding geeft dit  album een zeer eigen geluid en is heel fijn te genieten.
Nuta harmonica is weer zeer Roemeens: een hora melodie van de accordeonist dat in een gypsy jazz tempo wordt overgenomen door de primas in een sirba tempo, dat weer terug wordt gepakt door de accordeonist, waarna ze samen naar het eind van het stuk sjezen. Het volgende Jutros mi je ruza procvjetala zou afkomstig kunnen zijn uit de sevdah traditie met een prima trompet partij.
Maar ondanks de vele invloeden van buitenaf heeft het album voldoende eigens om zalig van te genieten. Alle stukken krijgen in mijn hoofd een eigen verhaal zoals Kasza kipi, kasza wre dat met een stuwend ritme naar een zeer stevige apotheose gaat. Tot slot van dit moois: Magyar mese; ‘voer voor de dansvloer’ met in deel twee een friss-csardas die bijna uit de bocht vliegt.

Gelijk maar opnieuw opzetten, deze ruim 47 minuten durende pracht cd.