Zefiro Torna – Balsam

Balsam
(Antartica records, AR010)

Het zal me wellicht vergeven worden dat de cover associaties oproept met virusjes, niet onterecht trouwens, want dit album blijkt ongemeen aanstekelijk te zijn. Dit album vormt een muzikaal project dat de ruggengraat is gaan vorm van een samenwerking met het theatergezelschap Laika. Insteek vormt ditmaal een eerbetoon aan in tijd en ruimte heel ruim gespreide liederen en melodieën die de passie en lust inducerende, naast hallucinogene en helende werking exploreren van diverse kruiden en bloemen.
De teksten voeren ons terug naar verzen uit het Bijbelse Hooglied, gedichten van Vergilius en Horatius. Hildegard Von Bingen en de IJslandse Edda-sagen en de 15e eeuwse polyfonie passeren de revue. Maar ook gedichten van Baudelaire en Verhaeren, naast eigen composities brengen ons een muzikaal palet dat ons spiritueel en zinnelijk doet dromen, in een ode aan het leven en het eraan verbonden mysterie.
Vier uitgesproken stemmen is dit sextet rijk, waarvan die van Elly Aerden (ook chatkhan) meteen schittert in La Roseé de larmes (een compositie van Merckx op tekst van Virgilius), na een klagerige instrumentale intro die teruggrijpt naar O Spectabilis Viri (Von Bingen), Daarnaast zijn er die van Jowan Merckx (ook blokfluiten, doedelzak, bugel, percussie, ukelele), Raphaël De Cock (ook uilleann pipes, bawu, chatkhan, kaval, hardingfele, boventoonfluiten, mondharp, duduk), die ook zijn beheersing van de boventoonzang demonstreert en muzikaal leider Jurgen De Bruyn (luit, barokgitaar, chitarrone). Het ensemble wordt gecompleteerd met Philippe Laloy (dwarsfluiten, sopraansaxofoon) en Jean-Philippe Poncin (basklarinet).
Deze laatste laat zich niet onbetuigd in het instrumentale intermezzo Sous le noyer (Merckx) en in de uitloop van het wat illustere Les roses de Saadi van Marceline Desbordes-Valmores (op muziek gezet door Laloy), onder meer in dialoog met de saxofoon. Heel integere luit- en kavalklanken leiden vervolgens het door Merckx op muziek gezette À un lilas (een gedicht van François Coppée) in waarin Elly in duet gaat met één van de heren uitmondend in een toets boventoonzang van De Cock. Hij schiep ook een iele compositie op Yggdrasil (een vers uit de Edda), waarbij hij op zijn kenmerkende wijze het vocale voortouw neemt. Elly duikt vervolgens, gedragen door luit en blokfluit, in de wereld van Guillaume du Fay op het gedicht Balsamus et munda cera, dat zich geleidelijk ontplooit in een polyfoon pareltje.
Op tekst van Horatius creëerden Merckx en De Bruyn het door Elly ingezongen Purior in vicis, dat omkaderd wordt door Sous le figier I en II, twee heel barok geïnspireerde melodieën van Merckx, waarin ook de doedelzak een prominente plaats toegemeten krijgt. De 19de eeuwse dichter Emile Verhaeren krijgt een plaats onder de schijnwerpers met zijn gedicht Où rien ne bouge (een compositie van Els en Bert Van Laethem), een mijmerend en deinend instrumentaal omspeeld chanson dat uitmond in een intieme samenzang.
Melancholie voert ook de hoofdtoon in Merckx’ intrumentale Le doux désir douloureux, waarna we terug recht gaan zitten voor de bruisende, twinkelende en dansante Portugese traditional Meninas vamos a murta. Frivoliteit glijdt ook af van het op fluit geïntroduceerde Artemisia absinthium, een heel frisse polska, alweer van de hand van meester Merckx. Voor de ultieme finale leiden ze ons naar de oude kern van onze cultuur, met het Griekse, de jasmijn bezingende, To Yasemi waarmee we de geuren van de rebetika mogen genieten.
Wie deze topmuzikanten kent, naast het instrumentarium waarmee ze hun muzikale tapijten weven dient er niet van overtuigd te worden dat hier alweer een overweldigend plateau vol auditieve verrassingen aangeboden wordt, waarbij oud en nieuw weefsel op een heel coherente manier aan elkaar gelast wordt, met instrumenten die elkaar zonder hen mogelijks nooit zouden ontmoet hebben.